Conclusie
1.Feiten
“Op basis van de gegevens die u ons hebt bezorgd op 19/07/2008 en op 27/08/2008 en na zowel de GUISE te hebben berekend volgens methode 1 en methode 3 (..), komen wij tot de volgende grafische risicoindicator voor het Arasbridge Enhanced Return Fund: “vrij groot”.”
“(..) Ik bevestig dat ik (..) de product brochure, de technische bijlage, en de financiële bijsluiter heb ontvangen en gelezen; de kenmerken en de werking van het contract waarin ik wil beleggen begrijp;” In de financiële bijsluiter, opgesteld op 5 maart 2009, is onder meer opgenomen:
“(..) Risico dat u uw inleg niet terugkrijgt bij tussentijdse beëindiging (3 jaar) ‘groot ’ en bij gehele looptijd (20 jaar) 'vrij groot’. (..)”. Op 3 november 2009 heeft [erflater] tevens een ‘Verklaring van goed begrip’ van Irish Life ondertekend, waarin hij bevestigt dat hij alle risico’s met betrekking tot de beleggingen begrijpt en aanvaardt en alle relevante stukken heeft gelezen en begrepen.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft de verhouding tussen de privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht en Richtlijn 2004/39/EG betreffende markten voor financiële instrumenten (ook wel genoemd Markets in Financial Instruments Directive, hierna: MiFID). [5]
Onderdeel 2bestrijdt dat [eiseres] een advies ten aanzien van de belegging in Arasbridge heeft gegeven. De
onderdelen 3 t/m 5klagen over de oordelen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar [erflater] deskundigheid, beleggingsdoelstellingen en risicobereidheid.
onderdeel 6.
onderdeel 7) en over de slotsom in rov. 3.23 dat de grieven slagen (
onderdeel 8).
Onderdeel 9ten slotte klaagt dat het hof niet geeft geoordeeld over het bezwaar van [eiseres] tegen door [erflater] voor het appelpleidooi ingebrachte producties.
subonderdelen 1.1 t/m 1.3), op (ii) rov. 3.13.1-3.17 over de onderzoeksplicht van [eiseres] in het kader van de beleggingen in Arasbridge (
subonderdeel 1.4) en op (iii) rov. 3.18-3.20 over de waarschuwingsplicht van [eiseres] in het kader van de beleggingen in Irish Life (
subonderdeel 1.5).
subonderdeel 1.2.3(over de plicht tot richtlijnconforme interpretatie) en van
subonderdeel 1.3(dat de omstandigheden van het geval geen verderstrekkende verplichtingen dan uit de MiFID volgt met zich kunnen brengen).
subonderdeel 1.4geldt in het licht van de subonderdelen 1.1 t/m 1.3 dat het hof in rov. 3.13.1-3.17 ten onrechte niet heeft onderzocht in hoeverre het door [eiseres] inwinnen van informatie over [erflater] kennis, ervaring doelstellingen en risicobereidheid redelijkerwijs relevant is voor haar advies.
subonderdeel 1.5geldt in het licht van de subonderdelen 1.1 t/m 1.3 dat het hof in rov. 3.18-3.20 ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat waarschuwingen en informatie in gestandaardiseerde vorm mogen worden versterkt (art. 4:20 lid 6 Wft Pro) en dat de omschrijving van de aard en de risico’s van een belegging niet gedetailleerder hoeft te zijn dan nodig is om de niet-professionele belegger in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen (art. 58c lid 1 Bgfo).
Op het uitgangspunt dat de financiële onderneming van de gemiddelde consument of cliënt mag uitgaan geldt een uitzondering indien sprake is van advies of individueel vermogensbeheer. In die gevallen dient de financiële onderneming haar informatieverstrekking af te stemmen op de individuele kenmerken en behoeften van de cliënt(zie de artikelen 4:23 en 4:90).” [onderstreping toegevoegd; AG]
Indien de financiële onderneming in het kader van artikel 4:23 of Pro artikel 4:90 in Pro het belang van de consument of cliënt informatie heeft ingewonnen over onder meer diens kennis en ervaring op de financiële markten, is zij gehouden haar informatieverstrekking precies af te stemmen op de individuele kenmerken van de consument of cliënt.” [onderstreping toegevoegd; AG]
subonderdeel 1.5berust op een onjuiste rechtsopvatting voor zover daarin wordt betoogd dat het hof in de adviesrelatie ter zake van de beleggingen in Irish Life – onderdeel 2 bestrijdt alleen het bestaan van een adviesrelatie ter zake van de beleggingen in Arasbridge − ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat waarschuwingen en informatie in gestandaardiseerde vorm mogen worden versterkt (art. 4:20 lid 6 Wft Pro).
subonderdeel 2.1is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de brief van 13 oktober 2008, waarin [eiseres] aan [erflater] schreef ‘(nog) geen advies’ te kunnen geven (zie hierboven in 1.1 onder (iii)). Niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, valt in te zien hoe na deze mededeling gesproken kan worden van een advies, dat wil zeggen een gepersonaliseerde aanbeveling ten aanzien van Arasbridge. Bovendien valt niet in te zien dat sprake is van advies in het licht van de stelling van [eiseres] dat [erflater] zelfstandig is overgegaan tot het beleggen in Arasbridge.
stelling a).
stelling c) en dat het ging om vrij vermogen zodat de [erflater] toekomstkeuze niet van belang was (
stelling d), doen daaraan naar het kennelijke oordeel van het hof niet af. Dat is niet onbegrijpelijk, omdat daarmee de beleggingsdoelstelling, ook voor wat betreft vrij vermogen, nog niet duidelijk is. Indien, anders dan het hof oordeelde, een belegging in Arasbridge verantwoord zou zijn zonder duidelijkheid over de beleggingsdoelstelling van [erflater] , geldt nog dat de risicobereidheid van [erflater] ten tijde van de belegging in Arasbridge onvoldoende is onderzocht (rov. 3.16.1). Met de oordelen in rov. 3.14-3.14.1 en 3.16.1 heeft het hof verdisconteerd de stellingen dat [erflater] weliswaar als doelstelling had om zijn vermogen te behouden maar bereid was risico te nemen om meer rendement te maken en alternatieve beleggingen wilde (
stelling e), dat de belegging in Arasbridge past bij het beleggingsprofiel van [erflater] (
stelling g) en dat het risico van de beleggingen in Arasbridge beperkt was (
stelling h).
stelling b) en dat [eiseres] heeft geadviseerd met inachtneming van de door haar ingewonnen informatie (
stelling j).
stelling f). Dat de passendheid van een belegging mede afhangt van de specifieke productkenmerken en de omvang van de belegging in relatie tot (onder meer) het totale (al dan niet) belegde vermogen (
stelling i) komt onder meer terug in de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen.
subonderdelen 2.4, 2.5 en 2.6veronderstellen dat het hof in rov. 3.17 een oordeel heeft gegeven over het causale verband tussen de tekortkoming en de schade, berusten zij op een onjuiste lezing van het arrest en falen zij daarom. Op verzoek van partijen heeft het hof, zo blijkt uit rov. 3.22, de kwestie van onder meer het causaal verband gereserveerd voor behandeling in de schadestaatprocedure. Daarom moet worden aangenomen dat het oordeel van het hof dat [eiseres] jegens [erflater] ‘aansprakelijk’ is, niet verder strekt dan het oordeel dat [eiseres] jegens [erflater] is tekortgeschoten in de nakoming van haar (bijzondere) zorgplicht als beleggingsadviseur. Het hof heeft dus ook niet bedoeld toepassing te geven aan de omkeringsregel.
subonderdelen 2.4 en 2.6aanvoeren dat een enkele schending van een onderzoeksplicht ter zake van de ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van [erflater] niet tot aansprakelijkheid van [eiseres] kan leiden, berusten zij op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers in rov. 3.17 geoordeeld dat [eiseres] zich van het geven van een advies over beleggingen in Arasbridge had moeten onthouden en jegens [erflater] aansprakelijk is nu zij toch heeft geadviseerd respectievelijk een niet passende belegging heeft geadviseerd. De vergelijking met het oordeel van de Hoge Raad over de aansprakelijkheid bij overkreditering, [30] gaat daarom niet op.
subonderdeel 3.2, dat voortbouwt op
subonderdeel 3.1, miskent het hof
ten eerste, samengevat, dat deskundigheid niet alleen via ervaring maar ook op grond van aanwezige kennis kan worden aangenomen.
tweede klachtvan subonderdeel 3.2 is het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van twee in het subonderdeel genoemde stellingen.
derde klachtvan het subonderdeel heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stelling van [eiseres] . Zij heeft niet gesteld dat de eventuele kennis van [erflater] van goederentermijnmarkten hem een deskundige belegger maakte, maar dat dit maakte dat [eiseres] begreep waarom [erflater] begrip van beleggingsproducten toonde in de hiervoor onder (a) bedoelde gesprekken.
subonderdeel 3.5, ten onrechte als niet relevant zijn bestempeld, omdat het hof alleen ingaat op de relevantie ervan voor de beleggingservaring van [erflater] , maar niet op de relevantie ervan voor diens begrip van de risico’s van beleggen in Arasbridge.
subonderdeel 6.0(dat geen klacht bevat) de rov. 3.19.1 t/m 3.20, waarin het hof overwoog:
subonderdeel 6.2te hoge eisen gestelde aan de motivering van het verweer van [eiseres] , temeer in het licht van [erflater] beperkte onderbouwing van zijn stelling dat [eiseres] hem had moeten waarschuwen. De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
stellingen onder b, e en f). Ter toelichting wordt ten eerste gewezen op de brief van 30 oktober 2009. Deze is door het hof behandeld, zodat het hof, anders dan subonderdeel 6.1. aanvoert, daarop is ingegaan. Voorts wordt gewezen op een gesprek van 3 november 2009 waarin is gewaarschuwd voor onder meer het liquiditeitsrisico en het integriteitsrisico. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof hieruit niet heeft afgeleid dat voldoende gemotiveerd is betwist dat niet is gewaarschuwd voor het risico van het beperkte trackrecord. [33]
stelling c). Dit is alleen onderbouwd met verwijzing naar de documenten die [erflater] heeft ontvangen (de in
stelling gbedoelde financiële bijsluiters) en heeft getekend (het in
stelling hbedoelde inschrijfformulier met de verklaring van goed begrip). Deze documenten zijn door het hof behandeld, zodat het hof, anders dan subonderdeel 6.1. aanvoert, daarop is ingegaan. Het hof behoefde niet afzonderlijk in te gaan op de niet nader onderbouwde stelling c.