Conclusie
Ludinga) en verweerster in cassatie (hierna:
Accolade) met betrekking tot de ontwikkeling van een viertal aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende ‘bouwvlekken’ in het plangebied ‘Ludinga’ te Harlingen. Ludinga heeft in hoger beroep verschillende vorderingen ingesteld, gebaseerd op haar stelling dat Accolade gehouden is tot ontwikkeling en exploitatie en/of verkoop van appartementen op de vier bouwvlekken en dat Accolade daarin toerekenbaar is tekortgeschoten. Het hof heeft de vorderingen afgewezen op grond van zijn oordeel dat door Ludinga niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat Accolade zich jegens Ludinga zou hebben verplicht tot bebouwing van de vier bouwvlekken. In cassatie wordt dit oordeel door Ludinga bestreden. [1]
1.Feiten en procesverloop
[het toenmalige, toev. A-G]artikel 70 van Pro de Woningwet die zich uitsluitend bezighoudt met volkshuisvesting.
de gemeente) een viertal percelen nabij de Achlumerdijk te Harlingen gekocht, die zij op 2 juni 2005 geleverd heeft gekregen, nader aangeduid als “bouwvlekken”. De vier bouwvlekken zijn samen 25.800 m2 groot. De koopprijs van de bouwvlekken was € 793.170,- exclusief BTW, en inclusief rente, plankosten en bijdrage bovenwijkse voorzieningen.
Arqin), een rechtsvoorganger van Accolade, tegen een koopprijs van € 3.822.700,-, vermeerderd met een bedrag aan rente van € 250.098,84 vanaf 1 mei 2004 tot en met 2 juni 2005, derhalve € 4.072.798,84.
Overwegende dat
De concrete vraag, die uiteindelijk op basis van voorgaand weergegeven informatie aan u gesteld werd, luidt: is Arqin bereid om risicodragend het getoonde woon-zorg complex in het plan Ludinga Harlingen te ontwikkelen en te exploiteren tegen nader overeen te komen voorwaarden met Ludinga Vastgoed BV?
1. Het betreft hier vier bouwvlekken in het parkgebied in het bestemmingsplan Ludinga te Harlingen welke aan partijen voldoende bekend zijn.
Partijen overeen zijn gekomen dat partij A. [Arqin, toev. A-G] van partij B. [Ludinga, toev. A-G], de onverdeelde helft aan zal kopen van vier bouwvlekken in het parkgebied van het bestemmingsplan Ludinga te Harlingen, dit zoals bevestigd in het schrijven de dato 2 februari 2004 van partij A. aan partij B. (...)
Vorige week hebben wij telefonisch contact gehad over de ontwikkeling van de vier bouwvlekken in het bestemmingsplan Ludinga. Wij spraken af dat er de komende weken snelheid gemaakt wordt in de planontwikkeling. Dit betekent dat wij nog komen te spreken over een aantal open eindjes. (..) De open eindjes zijn volgens mij:
Aan notaris Heeres te Harlingen heb ik verzocht een clausule op te stellen die betrekking heeft op het recht van koop op de onverdeelde helft van de grond die in eigendom blijft bij Ludinga Vastgoed BV en tevens een bepaling dat, indien Arqin mogelijk op den duur een deel van de gronden niet mocht willen ontwikkelen maar weer wil verkopen, Ludinga Vastgoed B.V. het recht van koop heeft op deze gronden op dezelfde voorwaarden en condities.
De koopprijs bedraagt (...) € 3.822.700,00 (...) te vermeerderen met een rente van zes procent (...) gerekend vanaf één mei 2004 tot en met heden, zijnde een bedrag groot (...) € 250.098,84 (...), welke koopsom en rentevergoeding worden vermeerderd met negentien procent omzetbelasting ofwel (...) € 773.831,77 (...), alzo voor een totale koopprijs van (...) €4.846.630,61 (...)
De bovenstaande analyse van het dossier (gehouden tegen gebruikelijk in samenwerkingen gemaakte afspraken) maakt duidelijk wat [betrokkene 2] eigenlijk zelf ook bevestigt: aan Arqin is een grondpositie gegeven, die Arqin verder volledig zelf moet invullen. Ludinga Vastgoed is geen medeontwikkelaar en is ook geen “intermediair” tussen de gemeente en Arqin.
primair, dat voor recht wordt verklaard dat de koop en de levering van de onverdeelde helft van de gronden door Ludinga aan Accolade niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en dat Ludinga wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door Accolade betaalde koopprijs van € 4.846.630,-, en,
subsidiair, dat voor recht wordt verklaard dat Accolade een beroep toekomt op het in de leveringsakte van 2 juni 2005 opgenomen verrekenbeding en dat Ludinga uit dien hoofde wordt veroordeeld tot teugbetaling van een bedrag van € 1.917.700,-.
subsidiairevordering van Ludinga van belang; de primaire vordering wordt hierna verder buiten beschouwing gelaten.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
[zie hiervoor, onder 1.1 (v) tot en met 1.1 (x), toev. A-G]en zijn deels mondeling gemaakt. De door het hof te beantwoorden vragen of Accolade (althans haar rechtsvoorgangster Arqin) zich jegens Ludinga verplicht heeft om de bouwvlekken daadwerkelijk te ontwikkelen door daar appartementen te bouwen en zo ja, binnen welke termijn, zijn vragen omtrent de precieze inhoud en het daaraan te verbinden rechtsgevolg van de gemaakte afspraken. Aangezien een contract ontbreekt, is het debat dat partijen hebben gevoerd hebben over de toepasselijke uitlegnorm (Haviltex of een van de varianten daarop met meer of minder betekenis voor de grammaticale uitleg) minder relevant. Voor zover bij de beantwoording van de kernvraag wat partijen nu precies zijn overeengekomen, de hiervoor aangeduide correspondentie een rol speelt, moet het hof wel beoordelen welke betekenis partijen over en weer, gelet op alle omstandigheden van het geval aan de correspondentie van hun wederpartij hebben mogen hechten.
[zie hiervoor, onder 1.1 (xi), toev. A-G]zijn ter beantwoording van de genoemde vragen ook van de belang de verklaringen van de in voorlopig getuigenverhoor bij het hof gehoorde getuigen, namelijk de partijgetuige [betrokkene 2] (bestuurder Ludinga), [betrokkene 1] (adviseur voor Ludinga), [betrokkene 3] (destijds directeur Arqin), [betrokkene 4] (destijds directeur Arqin) en [betrokkene 5] (in 2007 directeur van de woningstichting Franeker, ook een rechtsvoorganger van Accolade).
Met betrekking tot de gronden in Harlingen was ik voor meerdere partijen aan het werk (...) Ik sprak onder meer met [betrokkene 4] , toen directeur/bestuurder van Arqin. Bij de aankoop was ook [betrokkene 3] betrokken die toen hoofd afdeling ontwikkeling was. Op zeker moment is [betrokkene 3] directeur van Arqin geworden (...) Op een A4-tje [van 23 juni 2003, hof] zijn de basisafspraken gemaakt. (...) Over de feitelijke start van de bouw is geen concrete datum genoemd. Wel is een ontwikkelplan afgesproken en zou eind van het jaar de paal in de grond gaan. Dat was voor de bouw van de eerste van de vier fasen of zoveel fasen als de markt kon opnemen. Het totale plan betrof 301 eenheden, dat in 10 jaar ontwikkeld zou worden. De afspraken zijn over het eerste blok gemaakt. Als mij wordt gevraagd waarom de eerste paal de grond niet is ingegaan dan weet ik dat niet. In 2003 was de ontwikkeling buiten mijn gezichtsveld (...) In 2006 ben ik door Arqin benaderd. [betrokkene 5] was directeur. Hij heeft mij gevraagd of ik kon helpen bij het op gang krijgen van de betreffende ontwikkeling. (...) Ik heb in 2006 geen stukken gezien waaruit blijkt dat in dat jaar tussen Arqin en Ludinga nadere afspraken zijn gemaakt. Ik heb wel ervaren dat zowel [betrokkene 5] van Arqin als [betrokkene 2] van Ludinga ervanuit gingen dat er gebouwd ging worden.”
Door toedoen van [betrokkene 1] zijn wij in contact gekomen met Ludinga. Het kon interessant zijn een positie rond Harlingen in te nemen. Ikzelf ben niet bij de onderhandelingen betrokken geweest. (...)
Als u vraagt wat de gedachte van Arqin was om de onverdeelde helft van Ludinga met betrekking tot de gronden in Harlingen te verwerven dan zeg ik daarop dat Arqin strategische belang had om ook in de regio Leeuwarden/Westergo, waartoe ook Harlingen behoorde, een positie te verkrijgen. (...) De bedoeling was om op die gronden woningen te realiseren. Deze bedoeling hadden beide partijen. Voor Arqin geldt dat zij ook een concept had met zorg. De bedoeling was om na aankoop in 2004/2005 te komen tot ontwikkeling van het project. (...) Uitgangspunt was de start van de bouw in 2004. De bedoeling was om de gronden gezamenlijk (Arqin en Ludinga) te ontwikkelen. [betrokkene 1] is ook ingehuurd om daarin het voortouw te nemen. Arqin heeft ook het nodige in de organisatie gedaan. Daar bedoel ik mee de ontwikkeling van dat zorgconcept en de gesprekken met de architect. Als mij wordt gevraagd waarom niet met de ontwikkeling is gestart is dat moeilijk aan te geven. Dat is bijna speculatief. (...) als mij wordt gevraagd of de reden zou kunnen zijn dat Arqin er strategisch voor heeft gekozen om zich uit de regio Leeuwarden/Westergo terug te trekken dan zeg ik dat dat in 2004/2005 niet speelde Eerst later is de strategie wijziging gekomen. Dat is meer in 2008 en mogelijk zelfs later geweest.”
Ik ben er eerst bij betrokken begin 2007 (...) Het gebied was in 4 vlekken verdeeld waarop, als ik mij goed herinner, in totaal 301 woningen (...) zou worden gebouwd. Voor mij werd er vooral gesteggeld over de vraag of het aantal woningen in de vlekken paste en of er niet woningen op zou moeten. Ik heb voor een pragmatische insteek gekozen. Per vlek zou er worden ontwikkeld waarbij het aantal woningen zo dicht mogelijk tegen het oorspronkelijke plan zou liggen. Deze insteek ging goed. Er is een gezamenlijk plan gemaakt en alles was klaar om met de bouw te starten. Dat is niet gebeurd. Er kwam bij Accolade een nieuwe Raad van Bestuur en die had een nieuwe visie. De focus moest worden gelegd op de thuisgebieden waarin men van oudsher actief was. Hierdoor vielen de plannen voor Harlingen en Leeuwarden af (...) vermoedelijk is ergens in de periode van oktober 2007 tot januari 2008 het besluit genomen.”
Begin 2004 zijn er afspraken gemaakt met Arqin over de start van de bouw van de appartementen. In 2004 zijn die afspraken gemaakt met [betrokkene 4] en [betrokkene 3] . Op een zeker moment heb ik de druk wat opgevoerd. Er is een bespreking geweest in 2004, wanneer weet ik niet meer precies, waarbij [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , makelaar [betrokkene 6] en ik aanwezig waren. Toen is de afspraak gemaakt over de start bouw van de appartement. (...) Later, in 2007 heb ik met de nieuwe directeur [betrokkene 5] de afspraak gemaakt dat de start bouw in 2007 zou plaatsvinden. (...)
jegens Ludinga heeft verplichtom de bebouwing te realiseren en in het verlengde daarvan, dat daarvoor - (mede) ten behoeve van Ludinga - een termijn is afgesproken waarbinnen deze bebouwing gerealiseerd zou moeten zijn. De enige getuige die heeft verklaard dat tussen partijen harde afspraken - in 2004 en 2005 - over de start van de bouw zijn gemaakt is de partijgetuige [betrokkene 2] , aan wiens verklaring in deze procedure slechts een beperkte bewijskracht toekomt. De getuigenverklaring van [betrokkene 2] bevat ook geen argumenten waarom er volgens hem tussen partijen harde afspraken zijn gemaakt over de verplichting tot bouwen. De verklaring van [betrokkene 2] en in het verlengde daarvan de vordering van Ludinga dat Arqin alle vier de bouwlocaties zou hebben moeten bebouwen, verdraagt zich niet goed met de e-mail van [betrokkene 2] van 25 november 2004, hiervoor aangehaald in rov. 2.10
[zie hiervoor, onder 1.1 (x), toev. A-G], waaruit blijkt dat [betrokkene 2] heeft aangedrongen op opname in het contract van de plicht van Arqin om, indien Arqin de bouwvlekken op enig moment zou willen verkopen, deze eerst aan Ludinga aan te bieden. Dat tussen partijen van meet af aan ook rekening is gehouden met de mogelijkheid dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen, volgt ook uit punt 10 van de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004, geciteerd in rov 2.6.
[zie hiervoor, onder 1.1 (vi), toev. A-G]waarin Arqin zich verplicht om de betrokken gronden niet
zonder meerdoor te verkopen. De aanbiedingsverplichting waaraan [betrokkene 2] in zijn genoemde mail refereerde, is ook in de leveringsakte van 2 juni 2005 terechtgekomen (zie hiervoor onder 2.11)
[zie hiervoor, onder 1.1 (xi), toev. A-G].
moetenbebouwen, is het hof van oordeel dat ook daarvoor de overgelegde stukken en de overige getuigenverklaringen onvoldoende steun bieden. Dat een dergelijke verplichting voor Accolade na 2005 wel is overeengekomen, volgt evenmin uit de door Ludinga bijgebrachte bewijsmiddelen.
onderdeel 1komt er in de kern op neer dat het hof ten onrechte niet (kenbaar) bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken dat, zoals door Ludinga is gesteld, in de brief van Arqin aan Ludinga van 2 februari 2004 tweemaal (onder punt 2 en onder punt 10 van de brief, zie hiervoor, onder 1.1 (vi)) de verplichting tot ontwikkeling van de bouwvlekken door Accolade is vastgelegd.
correspondentie, ook de
notariële akte van levering(zie hiervoor, onder 1.1 (xi)) en de tijdens een voor het hof gehouden voorlopig getuigenverhoor afgelegde
getuigenverklaringen(als geciteerd in rov. 5.3 van het bestreden arrest) van belang geacht.
getuigenverklaringenbeoordeeld.
verplichtom de bebouwing te realiseren en in het verlengde daarvan, dat daarvoor - (mede) ten behoeve van Ludinga - een
termijnis afgesproken waarbinnen deze bebouwing gerealiseerd zou moeten zijn. Uit de getuigenverklaringen kan - zo begrijp ik het oordeel van het hof - alleen worden afgeleid dat beide partijen
de intentiehebben gehad dat Arqin op de woonvlekken bebouwing zou realiseren.
correspondentieen de
notariële akte van levering.
zonder meerdoor te verkopen, volgt dat partijen er van meet af aan rekening mee hebben gehouden dat Arqin de bouwvlekken niet zou bebouwen.
moetenbebouwen, is het hof van oordeel dat ook daarvoor de overgelegde stukken en de overige getuigenverklaringen onvoldoende steun bieden.
nieteen bouwplicht is af te leiden. Ludinga heeft in eerste aanleg in haar conclusie van repliek in reconventie [29] (nr. 100) gesteld:
Kortom, veel afspraken zijn mondeling gemaakt. Zo ook de afspraak dat er op Accolade wel degelijk een bouwplicht rust. Uit de verschillende schriftelijke brieven blijkt zulks niet. Partijen zijn echter vrij om een dergelijke afspraak mondeling aan te gaan. Zo nodig kunnen onder ede worden gehoord [betrokkene 5] , werkzaam geweest voor Accolade, en [betrokkene 1] , adviseur van partijen. Uit hun verklaringen zal blijken, dat partijen zijn overeengekomen dat Accolade in een tijdsbestek van 5 a 10 jaar de bouwvlekken zal ontwikkelen.” [30]
onderdeel 2is mede in het licht van het voorgaande onderdeel tevens onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat
uit punt 10 van de brief van 2 februari 2004 volgt dat partijen van meet af aan rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat Arqin/Accolade de bouwvlekken niet zou bebouwen. Het hof leidt dit af uit het feit dat in punt 10 is vastgelegd dat Arqin “niet zonder meer” zou doorverkopen, maar ziet daarbij volgens het onderdeel ten onrechte voorbij aan het cruciale eerste zinsdeel van punt 10 van de brief, te weten “Arqin verplicht zich zelf te ontwikkelen”.
de intentiehebben gehad dat Arqin op de woonvlekken bebouwing zou realiseren
de intentiehebben gehad dat Accolade tot bebouwing van de bouwvlekken over zou gaan, maar daarmee - vgl. het oordeel van het hof in rov. 5.4 - evenwel niet zonder meer is gegeven dat Arqin zich (met de brief van 2 februari 2004)
jegens Ludinga heeft verplichtom de bebouwing te realiseren.