Conclusie
1.Feiten en procesverloop
hoofdelijkzijn veroordeeld tot nakoming van de daar omschreven verplichting. Voor het overige heeft het hof de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, verkort weergegeven, als volgt geoordeeld:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
In abstractozijn alle omstandigheden van het geval van belang, namelijk zo vaak als die omstandigheden redelijkerwijs invloed hebben op wat partijen mochten begrijpen en verwachten. Uiteraard is de inhoud van het partijdebat bepalend voor de vraag welke feiten en omstandigheden de rechter
in concretoin zijn uitlegoordeel mag en eventueel ook moet betrekken. Het komt voor dat partijen ter onderbouwing van de door hen bepleite uitleg enkel een of meer feiten en omstandigheden poneren, zonder enigszins begrijpelijk toe te lichten waarom die feiten en omstandigheden invloed hebben op de redelijke verwachtingen van partijen. Doet dit zich voor, dan zal ook een (min of meer) apodictisch oordeel van de rechter die over de feiten oordeelt in cassatie stand kunnen houden, omdat de in de feitelijke instanties betrokken stellingen de kwalificatie ‘essentieel’ niet verdienen en die stellingen de feitenrechter ook anderszins niet tot een nadere motivering verplichtten. Vanzelfsprekend geeft het onbesproken laten van stellingen die niet of onvoldoende vanuit het perspectief van de redelijke verwachtingen van partijen zijn toegelicht, ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verder behoeft de feitenrechter bij gebreke van een behoorlijke toelichting vanuit het juiste perspectief ook niet in te gaan op bewijsaanbiedingen. Dit laatste valt zowel aldus te zeggen dat die aanbiedingen onvoldoende concreet zijn als dat zij geen feiten betreffen die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden (art. 166 lid 1 Rv Pro).
definitievegoedkeurende verklaring – waarmee zij kennelijk bedoelen een goedkeurende verklaring die niet nadien is ingetrokken – en uitsluitend de uiteindelijk door Travel Tex vastgestelde jaarrekening bepalend kunnen zijn. In dit verband beroepen Sundio c.s. zich op een (veronderstelde) terugwerkende kracht van de intrekking door EY van haar goedkeurende verklaring met betrekking tot jaarrekening 1 en op bepalingen van het jaarrekeningenrecht, namelijk art. 2:362 en Pro 2:393 BW. Op een en ander heeft het hof met de laatste volzin van rechtsoverweging 3.13 afdoende gerespondeerd. Ik wijs er in dit verband op dat partijen in hun verhouding als kopers en verkopers van de aandelen van Travel Trex uiteraard aan de regels van het jaarrekeningenrecht niet gebonden waren. De aangehaalde art. 2:362 en Pro 2:393 BW geven bovendien slechts in algemene zin regels voor jaarrekeningen en accountantsonderzoeken daarnaar en naar het kennelijke oordeel van het hof dwingen die regels niet tot de gevolgtrekking dat jaarrekening 1 als geheel – dat wil zeggen, anders dan op onderdelen, waarmee middels correcties door de rechtbank reeds rekening was gehouden – ondeugdelijk is. De bedoelde terugwerkende kracht van die intrekkende verklaring, wat daarvan ook zij, is een constructie waarvan bezwaarlijk valt aan te nemen dat partijen daarop hun wederzijdse verwachtingen hebben afgestemd. Het hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat dit inderdaad niet valt aan te nemen en dat acht ik alleszins begrijpelijk. Dat oordeel behoefde ook geen nadere motivering.
grieven 3 tot en met 7komen Kopers op tegen de oordelen van de rechtbank in het vonnis van 4 november 2015 dat de omstandigheid dat de mede door Verkopers opgestelde jaarrekening 1 op onderdelen onjuist is meebrengt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien Verkopers desondanks jegens Kopers met succes een beroep zouden kunnen doen op de in artikel 4.2.3 SPA opgenomen bezwaartermijn, dat zulks ertoe moet leiden dat die termijn in zoverre moet worden ‘opgerekt’ dat ook de met het rapport van PWC van 3 december 2007 opgeworpen bezwaren geacht moeten worden tijdig te zijn ingebracht, maar dat een verdere oprekking van die termijn niet gerechtvaardigd is, zodat nadien opgekomen bezwaren te laat zijn ingediend.
nietvan toepassing is. Kopers menen dat de rechtbank de termijn van artikel 4.2.1 SPA daarom geheel buiten toepassing had moeten laten en niet slechts had moeten ‘oprekken’. Kopers betogen vervolgens dat er geen goede grond bestaat om de aan de hand van de rapporten van PWC van 5 juli en 3 december 2007 aangevoerde bezwaren wel toe te laten, maar voor de nadien nog opgekomen bezwaren tegen de berekening van de definitieve koopprijs, zoals die blijken uit jaarrekening 2 en de door de deskundige genoemde aanvullende correcties, een beroep van Verkopers op het verstrijken van de termijn van artikel 4.2.3 wel toelaatbaar te achten.
uitlegvan een vervalbeding. Ze kan ook van betekenis zijn voor de invulling die behoort te worden gegeven aan de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid met betrekking tot zo’n beding. Mijns inziens gaat dit echter niet zo ver als subonderdeel 3.1 onder c ons wil doen geloven. De daar opgenomen klacht veronderstelt dat de rechter de bedoelde rechtspraak omtrent art. 6:89 en Pro 7:23 BW uitdrukkelijk in zijn motivering dient te betrekken. Ik meen dat volstaat dat het hof aandacht heeft gehad voor de omstandigheid dat Sundio c.s. deels als gevolg van aan [verweersters] te verwijten onjuistheden in jaarrekening 1 zijn belemmerd in hun mogelijkheden om tijdig inhoudelijk bezwaar te maken tegen door [verweersters] opgestelde berekening van de definitieve koopprijs en zich heeft verenigd met het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [verweersters] op het vervalbeding in zoverre naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daaruit volgt dat het hof oog heeft gehad voor de gevolgen die het vervalbeding voor Sundio c.s. heeft en voor de bij de toepassing van dat beding betrokken belangen. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof niet gehouden.
voor zoverdeze geen (waarheids)getrouw beeld geeft van het vermogen en het resultaat van de onderneming. (…)’
in het geheel nietals grondslag voor de berekening van de definitieve koopprijs zal kunnen dienen.
indien en voor zoverzou komen vast te staan dat de jaarrekening die de grondslag vormde voor de bepaling van de koopsom geen waarheidsgetrouw beeld gaf van het vermogen en het resultaat van de onderneming.
Voor zover dat het gevalis, zal die jaarrekening niet kunnen dienen als grondslag voor de berekening van de koopprijs.