Conclusie
middelklaagt ten aanzien van het ontslag van rechtsvervolging voor feit 2 dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verdachte een beroep kon doen op een vrijstelling door aan termen in de regelgeving een onjuiste uitleg te geven.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of verdachte terecht werd ontslagen van rechtsvervolging wegens het storten van (asfalt)granulaat buiten een inrichting, waarbij het hof oordeelde dat sprake was van een vrijstelling op grond van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (Bvsbi) en het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (Bbo).
Het hof had geoordeeld dat het granulaat als bouwstof in een grondwerk was gebracht, waardoor de vrijstelling van toepassing was. Dit oordeel baseerde het hof mede op deskundigenrapporten en bodemonderzoek, alsmede op jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de kwalificatie van terreinverhardingen als 'werken'.
De Hoge Raad stelde echter vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd of het granulaat daadwerkelijk voldeed aan de samenstellings- en immissiewaarden die in het Bouwstoffenbesluit zijn opgenomen. Hierdoor was het beroep op de vrijstelling niet toereikend onderbouwd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor nadere beoordeling, waarbij expliciet aandacht moet worden besteed aan de vraag of het granulaat voldoet aan de kwaliteitseisen van het Bouwstoffenbesluit. Tevens werd de uitleg van het begrip 'werk' en het gebruik van bouwstof in een werk nader toegelicht, waarbij het functionele karakter van het werk van belang is.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens onvoldoende motivering over de kwaliteitseisen van het granulaat.