Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair: voor recht te verklaren dat [eiser] door verkrijgende verjaring eigenaar is van, kort gezegd, het perceel grond en de woning;
subsidiair: voor recht te verklaren dat [eiser] in zijn rechtsverhouding tot [verweerder] economisch eigenaar is van het perceel en de woning, waaronder onder meer doch niet uitsluitend moet worden begrepen het recht van [eiser] op de waarde van deze onroerende zaak en derhalve ook op een eventuele (verkoop)opbrengst daarvan, en
meer subsidiair: [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de door [eiser] geleden schade uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, op te maken bij staat.
primairwordt gevorderd voor recht te verklaren dat de rechtsvordering van [verweerder] strekkende tot beëindiging van het bezit en tot revindicatie van de grond met woning op grond van art. 3:306 BW Pro is verjaard en dat [eiser] in aansluiting op deze bevrijdende verjaring op grond van art. 3:105 BW Pro de eigendom heeft verkregen van grond en woning.
primaireen de
meer subsidiairevorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen en dat in verband met de beoordeling van de
subsidiairevordering nadere informatie nodig is. Het hof overwoog daartoe:
primairevordering van [eiser] , zoals in hoger beroep gewijzigd, zal afgewezen worden.
meer subsidiairevordering in hoger beroep baseert [eiser] op ongerechtvaardigde verrijking van [verweerder] . [eiser] stelt dat [verweerder] ongerechtvaardigd verrijkt is omdat [verweerder] zonder enige inspanning te verrichten de eigendom van een woning heeft verkregen en dat [eiser] verarmd is doordat hij de grond en de bouw, renovatie en onderhoud van de woning volledig heeft gefinancierd.
subsidiairevordering over te gaan zal het hof een comparitie van partijen gelasten teneinde nadere inlichtingen te verkrijgen en een schikking te beproeven. Het hof wenst onder meer geïnformeerd te worden op de navolgende punten:
uiterlijk twee wekenvoor de zitting in het bezit van het hof en de wederpartij zijn. Het hof wijst er op dat [verweerder] , aan wie het perceel geleverd is (zie productie 1 inleidende dagvaarding), voorshands de aangewezen partij is om de notariële nota van afrekening in het geding te brengen, alsmede eventuele bankafschriften met betrekking tot die betaling. [eiser] dient, indien hij de koopsom (al dan niet via [verweerder] ) betaalde, duidelijk aan te geven (bijvoorbeeld door middel van bankafschriften uit die periode) op welke wijze die koopsom “
ten laste van zijn vermogen is gekomen” (inleidende dagvaarding 15 en 18);
subsidiairevordering ten grondslag legt gesloten? Wat is daarbij tussen de aanwezigen besproken?
subsidiairevordering van [eiser] tot het geven van een verklaring voor recht dat [eiser] in zijn verhouding tot [verweerder] economisch eigenaar is van het perceel grond met de woning, waaronder onder meer, doch niet uitsluitend, moet worden begrepen het recht van [eiser] op de waarde van die onroerende zaak en de eventuele verkoopopbrengst daarvan, met veroordeling van [verweerder] tot medewerking aan de levering om niet aan [eiser] van de juridische eigendom van het perceel met woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
vorderingvan [eiser] . Daartoe wordt aangevoerd dat, zoals het hof ook zelf in rov. 3.2 en 3.4 van zijn tussenarrest weergeeft, [eiser] primair een verklaring voor recht heeft gevorderd dat hij eigenaar is van het perceel grond met de woning door verkrijgende verjaring c.q. op de voet van art. 3:105 jo Pro 3:306 BW. Verwezen wordt naar de stellingen van [eiser] dat hij de woning in 1980 in bezit heeft genomen en dit bezit gedurende een periode van meer dan 20 jaar heeft gecontinueerd en dat hij aldus door (verkrijgende) verjaring de (juridische) eigendom van deze woning heeft verkregen (met verwijzing naar HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2001:BQ5989, NJ 2012/312). [10] Ten onrechte heeft het hof daarop niet gerespondeerd, aldus het onderdeel.
Muller q.q./Hoogheemraadschap) betrekking had op ingebruikneming van een verkocht registergoed door de koper voordat de levering had plaatsgevonden. Uw Raad overwoog in rov. 3.4.2:
stellingenvan [eiser] . Aangevoerd wordt dat de door het hof weergegeven stellingen door [eiser] aan diens
subsidiairevordering ten grondslag zijn gelegd, zoals onder meer blijkt de inleidende dagvaarding nr. 14. Primair is immers een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser] door verjaring juridisch eigenaar van de woning is geworden. Indien de primaire vordering voor toewijzing in aanmerking komt, komt de rechter aan de subsidiaire vordering uiteraard niet toe.
als economische eigenaar vooruitlopende op de levering’ in 1980 de woning in bezit heeft genomen, waarbij hij verwijst naar HR 9 september 2011, NJ 2012/312 (zie inl. dagvaarding nr. 16 jo 15). Aldus liggen de stellingen mede ten grondslag aan de primaire vordering.
eerstewordt verwezen naar het voorgaande. Ten
tweedezou dit oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de door het hof zelf vastgestelde feiten (rov. 3.1 van het tussenarrest van 24 mei 2016). Die feiten zouden onder meer inhouden (i) dat [eiser] de woning vanaf 1980 onafgebroken (tot op heden) heeft bewoond, (ii) dat [eiser] vanuit het bouwdepot de koopsom van de grond heeft voldaan [11] , (iii) dat [eiser] op de hypothecaire geldleningen heeft afgelost en (iv) ook overigens alle aan de woning verbonden lasten heeft voldaan (en dat [verweerder] niets heeft bijgedragen). Volgens het middel laten deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, geen andere conclusie toe dan dat de feitelijke bewoning door [eiser] vanaf 1980 als een inbezitneming op de voet van art. 3:112 jo Pro 3:113 BW van het perceel en de woning moet worden gekwalificeerd, waarbij het middel verwijst naar het arrest van 9 september 2011.
aanneemsom.
onzekerheidbestaat over de vraag of [eiser] daadwerkelijk op enig moment een recht op levering zou kunnen inroepen. [13]
eersteals onbegrijpelijk de overweging (in rov. 6.2.3) dat
[verweerder] het perceel grond (waarop later de woning is gebouwd) heeft gekocht en uit het bouwdepot heeft betaald. Deze overweging zou strijdig zijn met de door het hof zelf in rov. 3.1 van het tussenarrest van 24 mei 2016 vastgestelde feiten. Ook verwijst het middel in dit verband naar het vonnis van 28 mei 2014, p 5, 9e-11e regel, waartegen niet zou zijn gegriefd.
tweedeover onbegrijpelijkheid van het oordeel (in rov. 6.2.3) dat
[eiser] onvoldoende duidelijk heeft gesteld enige aflossing op de diverse gesloten leningen te hebben betaald.Daartoe wordt aangevoerd dat tussen partijen vast staat dat het [eiser] is geweest die de rekeningen van de aannemer in 1980 op zijn naam heeft ontvangen en met behulp van de gelden die in het bouwdepot stonden, deze rekeningen heeft betaald [14] en dat hij steeds de rente van de hypothecaire geldlening heeft betaald en ook de andere aan de woning verbonden lasten heeft gedragen [15] . Voorts wordt verwezen naar (i) het overzicht (bijlage A) dat aan het proces-verbaal van comparitie d.d. 19 september 2016 is gehecht, waaruit blijkt dat [eiser] tot aan het moment van de herfinanciering een bedrag van
f 50.071,71 heeft afgelost, en (ii) productie 2 bij de akte overlegging producties d.d. 19 september 2016. [eiser] heeft ter zake dus rente
en aflossingbetaald. [verweerder] heeft ook niet betwist dat jarenlang aflossing en rente door [eiser] zijn betaald (en dat hijzelf niets heeft betaald). Onbegrijpelijk is dan ook dat het hof tot de slotsom is gekomen (rov. 6.2.4) dat [eiser] zijn standpunt onvoldoende met feiten zou hebben onderbouwd, aldus het onderdeel.
€ 265,42) teniet doet.
onderdeel 5ook rov. 3.7 van het tussenarrest van 24 mei 2016 en rov. 6.2.1, 6.3 en het dictum van het eindarrest van 28 maart 2017, die dan evenmin in stand kunnen blijven.