Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
onder 1.1dat hij in de inleidende dagvaarding heeft gesteld dat hij in de situatie gebracht moet worden alsof de fout van Theodoor Gillissen niet heeft plaatsgevonden en dat hij in dat kader in paragraaf 124-126 van de inleidende dagvaarding de volgende stellingen heeft betrokken:
Schade
in overeenstemming met het mandaat(in diezelfde periode).
in de tweede helft van 2008en (ii) de hiervoor reeds besproken berekening over de periode van 1 oktober 2005 tot en met het tweede kwartaal van 2009. In het licht
daarvanzou de stelling van Theodoor Gillissen waaraan het hof refereert, namelijk dat alleen op de beleggingen in het Factor Credit Value Fund verlies is geleden, [3] geen behoorlijke betwisting inhouden van de stellingen van [eiser] omtrent ter zake van alternatieve beleggingen geleden schade. De sub i bedoelde stellingen betreffen echter slechts een korte periode en zeggen bovendien niets over de te maken vergelijking, namelijk met wat wel toegelaten beleggingen in dezelfde relevante periode deden. [4] De sub ii bedoelde berekening gaat uit van een incorrect beleggingsprofiel en heeft een aanzienlijk te vroeg ingangstijdstip (vergelijk hiervoor onder 2.7). In dat licht dunkt mij allerminst onjuist of onbegrijpelijk dat het hof niet als vaststaand heeft aangenomen dat [eiser] ter zake van alternatieve beleggingen schade heeft geleden. Dat het hof wél heeft aangenomen dat [eiser] niet heeft weersproken dat alleen op de beleggingen in het Factor Credit Value Fund verlies is geleden, dunkt mij in hetzelfde licht evenmin onjuist of onbegrijpelijk. [5]