Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat uit het proces-verbaal van getuigenverhoor voldoende blijkt dat de verdachte als getuige is beëdigd omdat niet uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat verdachte de door de wet gevorderde eed of belofte op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft afgelegd.
tweede middelklaagt dat het hof de juistheid van een verweer in het midden heeft gelaten hoewel dat verweer niet door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd, waardoor een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is blijven bestaan dat niet verdachte maar een ander de berichten heeft verzonden of ontvangen.
derde middelklaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie omdat het dossier niet binnen acht maanden na het instellen van het cassatieberoep ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.