Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ikomt op tegen de motivering van dit oordeel in rov. 3.10.3-3.10.6 van de bestreden beschikking en bevat de algemene klacht dat het hof een zeer eenzijdige kijk op de gebeurtenissen rond de twee minderjarige kinderen heeft gegeven door de moeder overal de schuld van te geven zonder oog te hebben voor de problematiek aan de kant van de biologische vader, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd heeft. Deze algemene klacht is uitgewerkt in de subonderdelen I.1-I.6. [6] Onderdeel IIis gericht tegen de rov. 3.10.1 en 3.10.2 van de bestreden beschikking en klaagt dat in feite een omgangsondertoezichtstelling is uitgesproken waaraan hoge motiveringseisen worden gesteld en dat het gegeven dat het hier gaat om heel jonge en kwetsbare kinderen waarmee heel voorzichtig moet worden omgegaan, geen reden is om aan te nemen dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen. Voorts wordt geklaagd dat niet blijkt dat moeder de nodige zorg niet of onvoldoende accepteert. Ik bespreek eerst onderdeel II, waarna ik op de afzonderlijke subonderdelen van onderdeel I zal ingaan.
subonderdeel I.1lees ik de klacht dat het oordeel van het hof dat van contra-indicaties aan de kant van de vader niet is gebleken onbegrijpelijk is, omdat indien nog niet is vastgesteld of de problematiek veroorzaakt is door de omgang met de vader ook niet kan worden vastgesteld dat geen sprake is van contra-indicaties aan de zijde van de vader. De klacht mist feitelijke grondslag, nu het hof slechts heeft geoordeeld dat hem van contra-indicaties met betrekking tot de omgang aan de zijde van de vader niet is gebleken.
Subonderdeel I.4is gericht tegen rov. 3.10.3. Het hof heeft, kort samengevat, geoordeeld dat de onrust en spanningen die uit de hevige strijd tussen de ouders voortvloeien, onvermijdelijk een weerslag hebben op de kinderen, dat statusvoorlichting en onbelast contact met beide ouders onontbeerlijk zijn voor een gezond opvoedingsklimaat, dat het hof, anders dan de moeder, met de raad van oordeel is dat de kinderen niet te jong zijn voor statusvoorlichting en dat het resultaat van de tussen de ouders woedende (juridische) strijd is dat de kinderen verstoken blijven van (onbelaste) omgang met hun biologische vader.
Dat recht is tevens gewaarborgd in de art. 7 en Pro 8 IVRK.
kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.”
subonderdeel I.6lees ik de klacht dat het oordeel van het hof dat de moeder de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is niet of onvoldoende accepteert onbegrijpelijk is, nu de moeder vrijwillig heeft meegewerkt aan omgang van de vader met [kind 1] en zij zelf begeleiding heeft ingeschakeld van Prokino Zorg.