Conclusie
eerste middelbevat ten aanzien van feit 1 primair, in samenhang bezien met de toelichting daarop, de klacht dat het oordeel van het hof dat de onjuiste of onvolledige aangifte ertoe strekte dat te weinig belasting zou worden geheven onjuist is, althans onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is, aangezien de verdachte op basis van de deelnemingsvrijstelling de verkoopopbrengst van de aandelen buiten aanmerking mocht houden bij het bepalen van de winst van [C] B.V.
tweede middelklaagt ten aanzien van feit 4 dat het opzet van de verdachte op het valselijk opmaken van een overeenkomst van geldlening, gedagtekend 2 januari 2001, niet uit de bewijsvoering blijkt.
Frühere Namen
Inleiding
Feiten
Standpunt verdediging
Standpunt openbaar ministerie
Beoordeling door het hof
derde middelricht zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 7 en behelst de klacht dat er geen enkel bewijsmiddel is waaruit blijkt dat in het aangiftebiljet vennootschapsbelasting betreffende het jaar 2002 een verlies op aandelen werd opgegeven van ongeveer € 1.626.895,-.
Ten aanzien van de feiten 7 en 8
Feiten
vierde middelklaagt ten aanzien van feit 8 dat het oordeel van het hof dat in de aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2002 een bedrag van (ongeveer) € 139.890,- en/of ongeveer € 1.543.881,- totaal (ongeveer) € 1683.771,- had moeten worden opgegeven, onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.