Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Beslissing
1 december 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het opzettelijk doen van onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2008, waarbij ten onrechte omzetbelasting werd teruggevraagd. De verdediging voerde aan dat de aangiften niet als strafbare aangiften konden worden aangemerkt omdat ze fictief waren en niet tot minder belastingheffing leidden.
Het hof verwierp dit verweer en stelde dat de strekking van de gedraging bepalend is, waarbij het voldoende is dat de gedraging naar haar aard geschikt is om teweeg te brengen dat te weinig belasting wordt geheven. De verdediging voerde tevens schending van het nemo tenetur-beginsel aan vanwege vermeende druk bij het aanleveren van stukken, maar het hof oordeelde dat de stukken onafhankelijk van de wil van verdachte waren en dat geen sprake was van ontoelaatbare druk.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat de strekking van de gedraging niet beperkt is tot de belastingheffing ten laste van degene die de gedraging verricht, maar dat het gaat om gedragingen die in het algemeen geschikt zijn om te leiden tot te weinig geheven belasting. Het beroep werd verworpen zonder nadere motivering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens onjuiste aangiften omzetbelasting blijft in stand.