Conclusie
advocaat: mr. S.F. Sagel
advocaat: mr. R.A.A. Duk
1.Feiten
.
.Voorts is meegedeeld dat deze vrijwillige en tijdelijke loonsverhogingen komen te vervallen zodra er een nieuwe CAO is gesloten met de vakbonden en zal dan worden vervangen door de met de vakbonden in de CAO af te spreken loonaanpassing en dat het recht wordt voorbehouden de vrijwillige loonsverhoging van 1,5% eenzijdig in te trekken zodra er overeenstemming is met de vakbonden over een nieuwe CAO.
2.Procesverloop
(ii) Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 1997 (
CNV/Pennwalt) volgt dat wanneer geen enkele werknemer aanspraak heeft gemaakt op de loonsverhoging per 1 juli 2011, zonder verrekening, er geen grond is voor toewijzing van de vorderingen van de vakbonden. Dit volgt ook uit art. 3:303 BW Pro (rov. 4.8).
(iii) Nu Inretail en VAB gemotiveerd hebben betwist dat er onder de leden van de vakbonden werknemers zijn van Inretail en van de leden van VAB die zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever en die aanspraak hebben gemaakt op de loonsverhoging per 1 juli 2011, zonder verrekening, rust op de vakbonden de bewijslast van hun stellingen dat er onder hun leden wel werknemers zijn die zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever (rov. 4.9).
(iv) FNV en CNV zullen daarom worden toegelaten te bewijzen dat er onder hun leden werknemers zijn van Inretail en van de leden van VAB die zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever en die aanspraak hebben gemaakt op de loonsverhoging per 1 juli 2011, zonder verrekening (rov. 4.10 en dictum). [6]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
CNV/Pennwalt). [7] In dit arrest ging het om het volgende. CNV en Pennwalt hadden een CAO afgesloten, die liep van 1 april 1989 tot en met 31 maart 1991. Art. 12.4 sub c van de CAO bepaalde het volgende:
3.5 Onderdeel 2 komt op tegen de afwijzing door de Rechtbank in haar eindvonnis van de voormelde vordering tot nakoming. Het onderdeel treft doel.
uit eigen hoofdenakoming van een door haar met een werkgever gesloten CAO te vorderen, in het bijzonder indien het gaat om in die CAO opgenomen verplichtingen van die werkgever jegens zijn werknemers. Voor de toewijsbaarheid is niet nodig dat wordt onderzocht welke aantallen individuele werknemers tegen de gedragslijn van de werkgever bezwaar hadden. Wel heeft te gelden dat de vordering van de werknemersvereniging slechts kan worden
toegewezen, voor zover de werknemers op het onderwerp van die vordering aanspraak wensen te maken én kunnen maken. Dit laatste betekent dat een vakbond door het instellen van een vordering níet kan bewerkstelligen dat hetzij een werknemer iets wordt opgedrongen waarop hij geen prijs stelt, hetzij dat een werknemer iets wordt toegekend op grond waarvan hij (om andere, aan de CAO te ontlenen redenen) geen recht heeft. Voorbeelden van (groepen van) werknemers die in één van beide categorieën zouden kunnen vallen, noemt de Hoge Raad in rov. 3.6.
willenmaken hetzij geen aanspraak
kunnenmaken op nakoming van de betreffende CAO-bepaling, heeft dus consequenties voor
de wijze waaropde veroordeling tot nakoming moet worden ingekleed. Die veroordeling dient niet te worden uitgesproken ten gunste van alle werknemers, maar alleen ten gunste van hen die niet onder een van de twee uitzonderingen gelden. Dat het daarom gaat blijkt ook duidelijk uit het dictum dat de Hoge Raad formuleert (mijn onderstreping):
eerstzou moeten worden onderzocht of er werknemers zijn die aanspraak wensen te maken op de nakoming van de betreffende CAO-bepaling, en dat pas indien dat vast zou komen te staan de vakbond kan worden ontvangen in een vordering tot nakoming van de CAO. Laat staan dat de vakbond eerst zou moeten aantonen ‘
dat er werknemers zijn die zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever (…)’. Het arrest
CNV/Pennwaltbrengt slechts mee dat bij een eventuele toewijzing van de vorderingen van de vakbond, het dictum wordt geclausuleerd met de toevoeging ‘
voor zover het gaat om werknemers die aanspraak wensen te maken en kunnen maken op de loonaanpassing van art. 6.2 van de CAO 2010-2012’.
individuele ledenvan een CAO-partij aan te spreken, wordt gebaseerd op art. 9 Wet Pro CAO. [11] Daarin is de gebondenheid van de leden van CAO-partijen aan de CAO (de normerende kracht van de CAO) neergelegd. [12]
Wanneer een cao-partij uit eigen hoofde nakoming van een cao vordert, geldt dat niet als een vordering die ingesteld wordt ‘namens iedere werknemer’. De vereniging vordert uit eigen hoofde. De cao-partijen hebben een eigen vorderingsrecht ter bescherming van het eigen belang dat zij bij de naleving van de cao hebben.
zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever en aanspraak hebben gemaakt op de loonsverhoging per 1 juli 2011’. In ieder geval kan uit het zwijgen van een of meer werknemers (het ‘niet verzetten’) tegen de handelwijze van hun werkgever, niet zomaar worden afgeleid dat zij daarmee instemmen. [14]
Onderdeel 3voert aan dat deze overweging onbegrijpelijk is, als het hof bedoeld zou hebben dat de vorderingen van FNV en CNV ook moeten worden afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat zich een werknemer bij de vakbonden heeft gemeld met een klacht over de verrekening (eerste motiveringsklacht). Uit de door het hof in rov. 2.5 van het eindarrest geciteerde getuigenverklaring van werknemer Van der Mijde blijkt immers onmiskenbaar dat deze werknemer zich wel degelijk heeft gemeld bij haar vakbond met een klacht over de verrekening door haar werkgeefster. Voor zover het hof in rov. 2.11 bedoeld zou hebben dat uit het genoemde verslag van de CAO-onderhandelingen blijkt dat de vakbonden afstand zouden hebben gedaan van hun zelfstandig vorderingsrecht tot nakoming van de in de CAO verankerde loonsverhoging, is de overweging eveneens onbegrijpelijk (tweede motiveringsklacht). In het bedoelde verslag is immers juist vermeld: “
als leden zich bij hen melden wanneer toch is verrekend, dan zullen bonden een juridische procedure niet uit de weg gaan”.
Het hof verwijst in dit verband voorts naar…(…)’ moet het ervoor worden gehouden dat met deze overweging is bedoeld een extra argument te geven voor ’s hofs oordeel in rov. 2.10, dat de vakbonden niet bewezen hebben dat er onder haar leden werknemers waren van de leden van Inretail en de leden van VAB zijn, die zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever en die aanspraak hebben gemaakt op de loonsverhoging per 1 juli 2011, zonder verrekening. Zoals gezegd, berust het verstrekken van de bewijsopdracht die het hof hier evalueert, op een onjuiste rechtsopvatting. Het ‘extra argument’ voor het oordeel dat de vakbonden niet geslaagd zijn in het hun opgedragen bewijs, heeft dus geen betekenis, althans kan niet bijdragen aan de afwijzing van de vorderingen van de vakbonden. Los daarvan is ook niet begrijpelijk waarom het hof (kennelijk) meent dat geen van de leden zich bij de vakbond zou hebben gemeld met een klacht over de naleving van de CAO, nu getuige Van der Mijde expliciet heeft verklaard dat zij ‘
een mailtje naar [haar] vakbond [heeft] gestuurd met de vraag hoe het zat’ (rov. 2.5). In zoverre slaagt de eerste motiveringsklacht.