Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit – de deelneming van de verdachte aan een criminele organisatie –, en valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht luidt dat het hof niet (afdoende) heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging strekkende tot vrijspraak. De tweede klacht houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, meer in het bijzonder dat daaruit niet kan worden afgeleid dat zij wetenschap heeft gehad van het crimineel oogmerk van de organisatie.
“Deelneming [verdachte] ?
Conclusie
als verklaring van verdachte:
€120.000,—.
verklaring van verdachte:
verklaring van verdachte:
verklaring van verdachte:
verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :
verklaring van verdachte:
tweede middelklaagt dat het hof het door de verdediging ter terechtzitting bij herhaling gedane verzoek tot het horen van de vader van de verdachte als getuige in verband met het aan haar verweten witwassen, mede gelet op hetgeen aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, meerdere malen heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, althans dat de afwijzingen in het licht van hetgeen telkens aan de onderbouwing van het verzoek is aangevoerd onbegrijpelijk zijn.
NJ2014/441 m.nt. Borgers gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Voorts kan bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing ook het procesverloop van belang zijn. [3] Meer dan vroeger het geval was, zal de toetsing zich concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, aldus de Hoge Raad.
derde middelkeert zich tegen de motivering van de opgelegde straf, en behelst in het bijzonder de klacht dat het hof zonder nadere motivering is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat bij bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten volgen wegens de verschillende omstandigheden van de verdachte, waaronder haar psychische klachten.