Conclusie
eerste middelkomt met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde met drie klachten op tegen de bewezenverklaring, de bewijsvoering, de kwalificatie en de verwerping van een door de verdediging gedaan beroep op overmacht.
eerste klachthoudt in dat het hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als overtreding van art. 26 WED Pro. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het hof blijkens de bewezenverklaring niet het opzettelijk niet voldoen aan de vordering heeft bewezenverklaard.
opzettelijk(cursivering AG), tezamen en in vereniging met een ander (…) niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 21 juncto Pro artikel 24a van de Wet op de economische delicten, (…) gedaan door een opsporingsambtenaar”.
tweede klachthoudt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan de vordering. Deze klacht valt uiteen in een aantal deelklachten.
niet langermogelijk was en dat zij dus opzettelijk niet aan de vordering hebben voldaan, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. De tenlastegelegde vordering was ten tijde van het uitvieren van de netten immers nog niet gedaan. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
derde klachthoudt in dat het hof ten onrechte niet gemotiveerd heeft beslist op het door de verdediging gevoerde verweer dat de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde diende te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake was van absolute overmacht, althans dat de impliciete verwerping van het verweer door het hof onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.