ECLI:NL:HR:2008:BC6140
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van bewustzijn opzet bij niet voldoen aan vordering Wet op de economische delicten
Op 25 juni 2004 werd verdachte in de gemeente West Maas en Waal door een opsporingsambtenaar van de regiopolitie Gelderland-Zuid vordering gedaan om zijn voertuig tot stilstand te brengen op grond van artikel 23 van Pro de Wet op de economische delicten (WED), met het oog op naleving van de Flora- en Faunawet. Verdachte voldeed niet aan deze vordering.
De tenlastelegging betrof het opzettelijk niet voldoen aan deze vordering krachtens artikel 26 WED Pro. Het Hof sprak verdachte vrij omdat het niet overtuigd was dat verdachte zich bewust was dat de vordering steunde of kon steunen op een voorschrift van de WED. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat voor strafbaarheid op grond van art. 26 WED Pro vereist is dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte zich richt op het bewustzijn dat de opsporingsambtenaar handelde krachtens een voorschrift van de WED.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Advocaat-Generaal en bevestigde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had omtrent het begrip 'opzettelijk' in art. 26 WED Pro. Tevens werd benadrukt dat ook vorderingen op grond van de zogenaamde 'accessoire bevoegdheid' van art. 23, vierde lid, WED onder art. 26 WED Pro vallen.
Hiermee blijft de vrijspraak in stand omdat het vereiste bewustzijn van de wettelijke grondslag van de vordering ontbrak bij verdachte. Het arrest verduidelijkt de uitleg van het opzetvereiste bij economische delicten en bevestigt het onderscheid met art. 184 Sr Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat verdachte zich niet bewust was dat de vordering steunde op een voorschrift van de Wet op de economische delicten.