Conclusie
in elk blok(zie artikel 56, lid 1) wordt toegepast. Artikel 61 ziet Pro op dat verschil in oppervlakte. Dat is wat in geld moet worden verrekend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietworden verrekend, hierover thans anders zou behoren te worden geoordeeld. Dat is echter niet waar het mij nu om gaat. Het gaat mij erom dat de Wilg, evenals iedere andere wet, mede behoort te worden uitgelegd in het licht van algemeen erkende rechtsbeginselen, waaronder het beginsel van redres van ongerechtvaardigde verrijking.
oppervlaktevan de in de herverkaveling begrepen gronden als ruilgrondslag. Aldus heeft de wetgever gebroken met het stelsel onder de voorganger van de Wilg, de Landinrichtingswet (Stb. 1985/299; hierna: Liwet), [21] die uitging van de
waardevan de ingebrachte gronden als ruilgrondslag (art. 142 lid 2 Liwet Pro). Een onder- of overbedeling in waarde (toegestaan tot maximaal vijf procent, art. 144 lid 1 Liwet Pro) werd met de eigenaren in geld verrekend (art. 145 Liwet Pro) via de LGR (art. 212 lid 1 onder Pro c sub 1 Liwet). [22] Naar blijkt uit de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel dat aan de Wilg ten grondslag ligt [23] (door de rechtbank aangehaald in rechtsoverweging 4.5 van haar beschikking) ligt aan die breuk de gedachte ten grondslag dat de agrarische en economische waarde van grond door ontwikkelingen in de landbouwkundige praktijk steeds minder door bodemkundige factoren wordt bepaald, terwijl oppervlaktegerelateerde factoren aan belang hebben gewonnen, alsmede dat er een vereenvoudiging kon worden bereikt.
nietin strijd met de Wilg (en geldt hetzelfde voor Nadere Regels die met art. 19 Bilg Pro in overeenstemming zijn).
naastde nieuwe ruilgrondslag van de oppervlakte ook de waarde ruilgrondslag zou moeten zijn (al wordt in de tekst van de motie die waarde versmald tot het ‘opbrengend vermogen’ van de gronden). Het behoeft nauwelijks betoog dat dit onmogelijk tot een werkbaar stelsel zou hebben kunnen leiden. Uitgaande van de bandbreedte van 5% die de Landinrichtingswet kende en de Wilg kent, zou alleen een uitruil van gronden mogelijk zijn die onderling én wat betreft oppervlakte én wat betreft waarde niet meer dan 5% verschillen. Kortom, de verwerping van de motie Van den Brink bewijst slechts dat de wetgever geen (onwerkbare) dubbele ruilgrondslag heeft gewild. Die verwerping bewijst geenszins dat waardeverschillen niet tot een financiële verrekening via de LGR leiden.
uitdrukkelijkegrondslag in de Wilg zou hebben gekregen, is een andere zaak. [37]
subonderdeel I.1heeft de rechtbank miskend dat Wilg niet voorziet in de mogelijkheid om verschillen in kwaliteit afzonderlijk te verrekenen, zodat beleidsregels die daar wél een basis voor bieden anders dan op basis van oppervlakte, onverbindend zijn wegens strijd met de tekst en/of strekking van de Wilg. Ook heeft de rechtbank volgens het onderdeel miskend dat een besluit omtrent vaststelling van de LGR waarin een afzonderlijke financiële verrekening van kwaliteitsverschil(len) wordt toegepast een wettelijke basis mist en daarom niet in stand kan blijven. De toelichting bij het middel (zie cassatieverzoekschrift p. 7 e.v.) vermeldt in verband met subonderdeel I.1 nog het volgende. De wetgever heeft uitdrukkelijk het voorheen bestaande systeem van verrekening op basis van kwaliteit en daaraan gekoppelde waardegrondslag verlaten. Uit het systeem van de wet – in het bijzonder uit art. 61 Wilg Pro en (a contrario) uit de limitatieve opsomming van art. 26 lid 2 Bilg Pro, waarbij de posten genoemd onder d en h juist erop wijzen dat niet bedoeld is kwaliteitsverschillen in de agrarische grond te verrekenen – volgt dat (naar ik begrijp:
uitsluitend) het verschil in oppervlakte tussen de eigenaren verrekend dient te worden. Als de wetgever kwaliteitsverschillen als verrekenpost in aanmerking had willen nemen, dan was dat in de Wilg, Bilg of Rilg vermeld. Uit de literatuur blijkt dat men ervan uitgaat dat de hier aan de orde zijnde verrekening een wettelijke grondslag ontbeert, aldus nog steeds de toelichting op het onderdeel.
a contrariobedient. Art. 61 Wilg Pro zegt dat het verschil in oppervlakte tussen de ingebrachte en toegedeelde kavels in geld wordt verrekend. Dat sluit niet uit dat ook een verschil in hoedanigheid en gebruiksbestemming tot een zodanige verrekening kan leiden. Wat betreft art. 26 lid 2 Bilg Pro licht het middel niet toe waaruit volgt dat die bepaling een limitatieve opsomming zou bevatten. Mijns inziens bestaat voor die lezing geen goede grond. Ook de nota van toelichting bij de regeling dwingt tot die lezing niet. [38] Ik wijs verder op het onder 2.9 besproken art. 19 Bilg Pro, dat met zoveel woorden voorziet in geldelijke verrekening van kwaliteitsverschillen. Zou die verrekening niet verlopen via de LGR omdat, zoals het subonderdeel veronderstelt, de opsomming van art. 26 lid 2 Bilg Pro limitatief is, dan zou dat leiden tot een onbegrijpelijk stelsel van verrekeningen zowel via de LGR als naast de LGR. Dit pleit dus krachtig tegen de lezing volgens welke art. 26 lid 2 Bilg Pro een limitatieve opsomming van verrekenposten bevat.
geheelgelijk(waardig) zijn wat betreft hoedanigheid en gebruiksbestemming. Dederd Oude Weme erkent immers dat in casu is toegedeeld met een klasseverschil van 0,89 (cassatieverzoekschrift p. 6 bij voetnoot 14, alsook p. 12 en 16). Mogelijk heeft de steller van het middel bedoeld te zeggen dat als geruild wordt binnen toegestane ‘ruilklassen’, uit moet worden gegaan van de fictie dat er geen kwaliteitsverschil bestaat. Dat is namelijk de opvatting waarvan hij in subonderdeel I.2 uitgaat. Die opvatting ook in subonderdeel I.1 in te lezen, gaat mij echter te ver. Wenst uw Raad die opvatting daarin wel te lezen, dan geldt voor de aldus gelezen klacht hetgeen ik hierna onder 2.33 zeg.