Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
atypischegevallen. De gedachte is dan dat de wetgever wat betreft standaardgevallen reeds de afweging heeft gemaakt of een bijzondere regel van overgangsrecht nodig is dan wel de hoofdregel van onmiddellijke werking kan gelden. Wie echter de wetsgeschiedenis van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek onderzoekt, komt tot de conclusie dat voor deze opvatting geen grond bestaat. Het is integendeel zo dat het bestaan van de uitzonderingbepaling van art. 75 Ow Pro NBW, ook het gedeelte van die bepaling dat naar de redelijkheid en billijkheid verwijst, alles te maken heeft met het besef van de wetgever dat het overgangsrecht een complexe materie betreft en dat hij achter zijn tekentafel fouten kan maken, in die zin dat bepaalde zich bij de overgang van oud naar nieuw recht voordoende fricties over het hoofd worden gezien. Om die reden heeft de wetgever het nodig geacht dat aan de rechter enige ruimte wordt gegund, om de in beginsel toepasselijke regels van overgangsrecht te corrigeren. In de woorden van de Memorie van Toelichting bij art. 75 Ow Pro NBW: [11]
onaanvaardbaar’), maar dit wordt door de wetgever – anders dan hiervoor een ogenblik de hypothese was – niet in verband gebracht met een tegenstelling tussen atypische en standaardgevallen. Ook in een standaardgeval kunnen we tot de conclusie komen dat het geschreven overgangsrecht tekortschiet. In dat geval is correctie aangewezen, zo vaak als de redenen voor die correctie maar klemmend genoeg zijn.
keuzevan de wetgever. Die keuze behoort de rechter te respecteren, ook al zou hij in de positie van de wetgever mogelijk met overtuiging een ándere keuze hebben gemaakt.
dieverjaring is voltooid omdat [eiser] vervolgens eerst op 2 juli 2009 opnieuw aanspraak op vergoeding heeft gemaakt (zie rechtsoverweging 4.2 van het arrest van het hof). Dat verweer is door het hof aanvaard. Zou [eiser] binnen drie jaar na 16 maart 2005 zich opnieuw bij Allianz hebben gemeld, dan zou dat een wezenlijk andere situatie zijn geweest dan door het hof is beslist.
ondubbelzinnigeafwijzing) gold, zo behoort te worden aangenomen, ook reeds op grond van het vóór 1 januari 2006 geldende recht. Het begin van de (algemeen gebruikelijke) vervaltermijn was namelijk de mededeling van de verzekeraar van zijn ‘definitief standpunt’. [25] In geval van een afwijzing die enige dubbelzinnigheid in zich draagt, kan mijns inziens van zo’n definitief standpunt niet worden gesproken. Ook het derde vereiste bestond onder het oude recht, namelijk op grond van Kroymans/Sun Alliance (vergelijk hiervoor onder 1.3). Uiteraard zag de vereiste ‘op niet mis te verstane wijze’ gedane mededeling toen niet op de (nog niet bestaande) korte verjaringstermijn van art. 7:942 lid Pro 3 (oud) BW maar op de contractuele vervaltermijn, maar dat is een verschil van formele aard; de bedoelde korte verjaringstermijn verving die vervaltermijn. Het verschil dat resteert, is het vormvereiste zoals dat vanaf 1 januari 2006 ging gelden, namelijk dat van een aangetekende brief.
nietervan is uitgegaan dat de korte verjaringstermijn van art. 7:942 lid Pro 3 (oud) BW zijn werking moet hebben, ondanks de omstandigheid dat aan de formele vereisten voor het intreden van die termijn niet was voldaan (vergelijk hiervoor onder 2.20). Het gaat om een ándere regel die het hof buiten toepassing heeft gelaten, namelijk die van art. 7:942 lid Pro 2 (oud) BW, die ertoe zou hebben geleid dat tussen partijen in het geheel geen verjaringstermijn liep. Dat het niet voldoen aan een vormvereiste dat niet gold ten tijde van de afwijzing van aansprakelijkheid door Allianz ook tot dat rechtsgevolg mag leiden, dát is de vraag waar het in deze zaak om gaat.
wijsheid achteraf, want destijds waren verzekeraars niet bedacht op de noodzaak van een dergelijke administratieve operatie.
per 1 januari 2006. [36] Mijns inziens kan ook niet uit de verwijzing in de Memorie van Toelichting naar de mogelijkheid dat voorafgaand aan de wetswijziging per 1 juli 2010 geen verjaringstermijn was aangevangen, worden afgeleid dat de wetgever toen zich alsnog ten volle bewust was van de overgangsrechtelijke consequenties van de wetswijziging per 1 januari 2006. Het geval dat een verzekeraar zich voorafgaande aan de wetswijziging per 1 juli 2010 niet had gehouden aan het voorschrift van art. 7:942 lid Pro 2 (oud) BW, behoeft immers niet per se ook vóór 1 januari 2006 te liggen. In verband met de algemene opvatting voorafgaand aan het arrest van uw Raad van 18 december 2015 (hiervoor onder 2.18) is het integendeel alleszins aannemelijk dat de wetgever niet mede het oog had op afwijzingen door verzekeraars van vóór 1 januari 2006.