Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 december 2015.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de verjaring van een vordering tot schadevergoeding onder een woonhuisverzekering na brand in de woning van eiser. De verzekering werd in 2004 beëindigd, terwijl de brand in maart 2004 plaatsvond. Allianz weigerde dekking en beriep zich op verjaring van de vordering, waarbij zij stelde dat de verjaringstermijn van drie jaar was verstreken.
De rechtbank oordeelde dat de vordering niet was verjaard, maar het hof stelde dat de verjaring wel was ingetreden. Het hof baseerde zich op de oude polisvoorwaarden en het oude recht, en overwoog dat de verjaringstermijn was voltooid vóór de datum waarop eiser in 2009 opnieuw aanspraak maakte op vergoeding.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verjaringstermijn volgens het overgangsrecht (art. 68a Overgangswet NBW) al was voltooid. Volgens het overgangsrecht geldt vanaf 1 januari 2006 het nieuwe art. 7:942 BW Pro (oud), dat bepaalt dat de verjaring pas begint na een afwijzing van de aanspraak door de verzekeraar op de voorgeschreven wijze. Het hof heeft niet vastgesteld dat Allianz een dergelijke afwijzing heeft gedaan. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling en beslissing over de stuiting van de verjaring en de toepassing van het overgangsrecht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de verjaring en stuiting onder toepassing van het overgangsrecht.