Conclusie
I. Beginsaldo contant geld.
II. Legale contante ontvangsten.
III. Eindsaldo (aangetroffen) contant geld.
IV. Feitelijke contante uitgaven.
(…)
De raadsman mr. W. de Vries heeft zich op het standpunt gesteld dat als aanvangsdatum voor de kasopstelling 1 januari 2009 dient te worden gehanteerd, nu de veroordeelde in de jaren voorafgaand aan 2010 aanzienlijke geldbedragen contant heeft opgenomen. De veroordeelde heeft dit contante geld bewaard, waardoor hij op 1 januari 2010 over een contant geldbedrag van
€ 36.308,42 kon beschikken. Het beginsaldo op 1 januari 2010 betreft derhalve
€ 36.308,42.
€ 51.630,00 contant opgenomen. Een deel van voornoemde geldbedragen is in Spanje opgenomen, te weten de geldopname van € 4.300,00 in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 17 augustus 2006, de geldopname van € 4.340,00 in de periode van 16 juli 2007 tot en met 30 juli 2007 en de geldopname van
€ 5.350,00 in de periode van 13 juni 2008 tot en met 28 juni 2008. Voorts heeft de veroordeelde in 2009 een geldbedrag van € 55.400,00 contant opgenomen.
€ 91.155,23 bancair is voldaan, zodat het restant ad € 31.246,77 contant zal zijn voldaan.
(…)
De raadsman mr. P.P.J. van der Meij heeft primair betoogd dat er geen bewijs is voor de veronderstelling dat de op 16 oktober 2012 aangetroffen hennep met een gewicht van 45,411 kilogram van de veroordeelde is en dat hij deze heeft gekocht met het voordeel dat hij uit eerder gepleegde strafbare feiten zou hebben verkregen. Zodoende staat ten aanzien van voornoemde aan getroffen hennep niet vast dat sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel en derhalve kan dit voordeel niet worden ontnomen.
welk bedrag volgens de raadsman dient te worden verminderd met de huurkosten van het pand aan de [a-straat 1] te Alkmaar ter hoogte van € 14.553,36. Zo resteert een totaalbedrag van € 22.732, 59, waarvan ponds-pondsgewijs € 11.186,30 aan de veroordeelde en medeveroordeelde [medebetrokkene] ieder €11.186,30 dient te worden toebedeeld.
Op 16 oktober 2012 zijn bij de doorzoeking van de Opel Vivaro met kenteken [kenteken] twee sporttassen met daarin negen zakken met henneptoppen aangetroffen. In totaal betreft het 16,609 kilogram droge hennep. Deze Opel Vivaro is eerder op voornoemde datum gezien bij het pand aan de [a-straat 1] te Alkmaar, waar (eveneens) diezelfde dag 28,802 kilogram droge hennep is aangetroffen. De veroordeelde en medeveroordeelde [medebetrokkene] bevinden zich beiden in voornoemd pand en worden beiden aangehouden ter zake overtreding van de Opiumwet.
Het hof stelt vast dat de aangetroffen hennep blijkens hetgeen is gerelateerd in het dossier droge hennep betreft. Het hof zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen vermogen dan ook uitgaan van hetgeen op ambtseed door verbalisanten is gerelateerd.
Het hof stelt voorop dat indien meerdere personen betrokken zijn bij hetzelfde feitencomplex, als uitgangspunt dient te gelden het voordeel dat een ieder daadwerkelijk heeft genoten. Het voordeel wordt ponds-pondsgewijs verdeeld indien omtrent de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen andere aanwijzingen bestaan.
€ 74.474,00 worden opgenomen, te weten de hierboven vastgestelde waarde van de hennep € 148.948,00 gedeeld door twee.
eerste middelklaagt dat het hof in het kader van de eenvoudige kasopstelling bij de berekening van het beginsaldo van de betrokkene per 1 januari 2010 van een te laag bedrag is uitgegaan.
Startpunt onderzoek: 1 januari 2009 i.p.v. 1 januari 201[0]
2) Als startpunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het openbaar ministerie 1 januari 2010 uitgekozen. De verdediging heeft laten zien dat in de jaren daaraan voorafgaand zeer veel contante geldopnamen hebben plaatsgevonden. Dit is aanleiding om als startpunt voor de berekening niet 1 januari 2010 te nemen, maar 1 januari 2009.
3) In de conclusie van repliek wordt bevestigd dat in 2009 veel contant geld is opgenomen. Niet wordt aangegeven waarom niet voor 2009 als startpunt zou moeten worden gekozen. Wel meent het openbaar ministerie vast te kunnen houden aan een beginsaldo in 2010 van € 1.922. Hierna, in §17 zal (opnieuw) worden aangegeven waarom dit ‘beginsaldo 2010’ niet aannemelijk is.
(…)
Beginsaldo 2010
18) Mocht u niet meegaan in het standpunt dat niet 1 januari 2010, maar 1 januari 2009 als beginpunt dient te worden genomen, het volgende.
19) Het Openbaar Ministerie stelt het beginsaldo op 1 januari 2010 vast op
€ 1.922. Dit bedrag is vastgesteld door de commerciële winst in 2009 van de onderneming van [betrokkene] te delen door 12 maanden.
21) In het reeds tijdens de vorige zitting als bijlage 3 overgelegde overzicht zijn alle in 2009 gedane uitgaven van de (enige) bankrekening van [betrokkene] weergegeven. Uitgaven die overduidelijk geen zakelijk karakter hebben, zijn wel als zodanig meegenomen. Als de privé-uitgaven niet worden meegenomen, stijgt de commerciële winst van de onderneming omdat de ‘kosten grond- en hulpstoffen’ uitkomen op grofweg de helft van het bedrag dat het openbaar ministerie als uitgangspunt neemt. Als daar vervolgens de andere kosten in aftrek worden gebracht, wordt uitgekomen op een commerciële winst van
€ 78.441,35. Dit bedrag is nagenoeg gelijk aan het door [betrokkene] contant opgenomen bedrag en de bancaire bestedingen over dat jaar, zijnde in totaal
€ 78.009,58. Aansluiting zoekende bij de in de rapportage gehanteerde rekenmethode komt, indien 2009 niet als startpunt wordt genomen, het beginsaldo 2010 uit op (minimaal) € 6.537.
(…)”
(…)
(…)
Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat wordt berekend op basis van de eenvoudige kasopstelling ziet op kasopstellingen over de periode van 1 januari 2010 tot 16 oktober 2012.
In 2006 heeft veroordeelde een geldbedrag van € 28.462,50 contant opgenomen. Hiervan werd € 4.300,- in Spanje gepind. De commerciële winst in 2006 bedroeg € 36.476,-.
In 2007 heeft veroordeelde een geldbedrag van € 46.860,- contant opgenomen. In dat jaar wordt er € 4.340,- in Spanje gepind. De commerciële winst in 2007 bedroeg
€ 30.627,-
In 2008 wordt er door veroordeelde € 51.630,- contant opgenomen, waarvan
€ 5.350,- in Spanje. De commerciële winst in 2008 bedroeg € 37.545,-. De rechtbank acht het aannemelijk dat geldopnames in het buitenland in dat land zelf worden aangewend. Een gedeelte van voornoemde contant opgenomen geldbedragen zal zijn aangewend voor de onkosten van het bedrijf van veroordeelde. De geldbedragen die dan resteren zullen grotendeels moeten zijn besteed aan levensonderhoud. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat veroordeelde daarnaast nog noemenswaardige geldbedragen heeft kunnen sparen.
De commerciële winst over het jaar 2009 bedroeg € 23.069,-. Er is echter in 2009 door veroordeelde een bedrag van € 55.400,- contant opgenomen. Dit valt te verklaren door de inkoopkosten die veroordeelde in 2009 gemaakt moet hebben. Het restantbedrag van de kosten die veroordeelde volgens zijn belastingaangifte heeft gemaakt is negatief, hetgeen inhoudt dat meer kosten zijn gemaakt dan per bank betaald. Het gaat om een bedrag ter hoogte van
€ 31.246,77. Een bedrag van € 23.069,- resteert dan voor onder andere levensonderhoud.
Volgens de referentiebudgetberekeningen uit het Nibud handboek 2007 bedragen de gemiddelde uitgaven van een vierpersoonshuishouden bij een besteedbaar inkomen van € 2.250,- per maand ongeveer € 32.364,- per jaar. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat veroordeelde de contant opgenomen bedragen in de periode van 2006 tot en met 2009 grotendeels heeft aangewend voor levensonderhoud en dat het inkomen van veroordeelde niet toereikend was om noemenswaardige geldbedragen te sparen.
Uitgaande van een gelijkmatig verloop van privé-uitgaven in 2009 bij een opname van € 23.069,- per jaar leidt dit tot een gemiddelde contante uitgave per maand van € 1.922,-. In de ontnemingsrapportage wordt daarom uitgegaan van een beginsaldo per 1 januari 2010 van de kasopstelling van € 1.922.-.
(…) “
tweede middelbehelst de klacht dat het hof de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, de kosten van de aanschaf van 45,411 kg hennep, zijnde een bedrag van € 74.474,00 als uitgavenpost heeft opgenomen in de eenvoudige kasopstelling en dat het oordeel van het hof dat het totaal aan voordeel in zoverre pondspondsgewijs tussen de betrokkene en de medeveroordeelde [medebetrokkene] moet worden verdeeld onbegrijpelijk is.
Op onregelmatige tijden kwamen verdachte, medeverdachte [medebetrokkene] of beiden bij het pand om personen te ontvangen. Opvallend daarbij was dat tijdens deze bezoeken auto’s achteruit de garage in werden gereden om vervolgens er na korte tijd weer uit te rijden. Beiden, zowel verdachte als de medeverdachte konden het pand zelfstandig openen. Verdachte beschikte bij zijn arrestatie ook over een sleutel van het pand. Op 16 oktober zijn verdachte en zijn medeverdachte weer bij het pand aangekomen, en kwamen er weer derden op bezoek. Weer werd, zoals ook al vaker tijdens observaties was waargenomen, eerst de auto van [medebetrokkene] naar binnen gereden en vervolgens ook de auto van deze derden.
Mijn vriend [medebetrokkene].
(…) Toen [medebetrokkene] een bedrijfsruimte had gehuurd gaf hij mij daar ook een sleutel van. Ik mocht van hem wat ruimte gebruiken voor het opslaan van bijvoorbeeld fietsen, scooters, gereedschappen of een bootje.
Toen in oktober 2012 de politie bij [medebetrokkene] binnenkwam stond er van mij een elektrische Sparta fiets en een Lode star rubberboot met een 15pk b.b. motor. Voor de boot zou ik ’s middags een klant krijgen daarom was ik daar aanwezig.”
derde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het voorwaardelijk verzoek de getuige ‘CIE-informant’ te horen heeft afgewezen.
Voorts heeft de raadsman, in het geval de op 16 oktober 2012 aangetroffen hennep met een gewicht van 45,411 kilogram ponds-pondsgewijs aan de veroordeelde wordt toegerekend verzocht een CIE- informant, de betrokken verbalisanten en de directeur van de CIE te doen horen.
7. De verdediging herhaalt in deze pleitnota de onderzoekswensen ten aanzien van de [medebetrokkene], CIE-informant en de verbalisanten, vooral in verband met het onveranderde standpunt van het Openbaar Ministerie dat de CIE- informatie gebruikt kan worden voor het bewijs dat [betrokkene] al langere tijd in natte wiet handelde. Deze CIE-informatie is belastend en werkt tegen [betrokkene] omdat het mede de aanleiding vormt voor de gedachte dat de abstracte voordeelsberekening van de opbrengst uit de illegale hennephandel daadwerkelijk heeft bestaan.
Op die zitting zijn die onderzoekswensen als volgt gemotiveerd: