Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof “ten onrechte het tenlastegelegde feit bewezen heeft verklaard” en valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte het tenlastegelegde feit bewezen heeft verklaard omdat het niet heeft vastgesteld dat het betreffende gesprek wederrechtelijk was opgenomen. De tweede deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet het bepaalde in artikel 139a, tweede lid, Sr [5] heeft toegepast. Als reden wordt aangevoerd dat het hof, omdat het gesprek niet heimelijk was opgenomen, als maatstaf had moeten aanleggen of voor het opnemen van het gesprek “kennelijk misbruik” is gemaakt van een technisch hulpmiddel, terwijl het hof geen “kennelijk misbruik” heeft vastgesteld.
tweede middelklaagt dat het hof het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand ten onrechte heeft verworpen. Het oordeel is “zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk” gelet op de Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan. [6] Aangevoerd wordt dat de “werking van deze Richtlijn van de Europese Unie [ondergraven zou worden] als een klokkenluider in Nederland wel strafrechtelijk veroordeeld zou worden. Daarom moet in een zaak als de onderhavige de verwerping van een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand zorgvuldig gemotiveerd worden, hetgeen het Hof heeft nagelaten.” Hierbij wordt in het bijzonder gewezen op de uitzondering die met het oog op een “klokkenluider” zoals verdachte, is gemaakt in artikel 5, aanhef en onder b van de Richtlijn. [7]
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid heeft verworpen “en daarbij bovendien van onjuiste feiten en onjuiste prealabele juridische oordelen is uitgegaan.” Het middel wordt onderbouwd met een drietal deelklachten. De eerste deelklacht berust op een beroep op de bescherming van klokkenluiders die Nederland moet bieden op basis van de Richtlijn die ik bij de bespreking van het tweede middel aan de orde is geweest. De tweede deelklacht houdt in dat het hof op basis van die onjuiste juridische grondslag heeft geoordeeld dat de verdachte “niet als redelijk klokkenluider gehandeld heeft, door de positie van de NVAO en de [m]inister van OCW te miskennen en geen enkele aandacht te besteden aan de toetsing van de proportionaliteit en subsidiariteit van [de verdachte] terwijl die wel was aangevoerd”.