Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
over het beschermingsbewinden dat [verzoekster] toen niet bereikbaar was, hetgeen inderdaad tegenstrijdig zou zijn met de stelling dat de bewindvoerder het contact over het beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten, maar dat zij eerder, over andere onderwerpen, al heeft geprobeerd contact met [verzoekster] op te nemen, dat [verzoekster] toen onbereikbaar bleek en dat zij daarom het contact over het beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten. In die stellingen valt geen tegenstrijdigheid te bespeuren.
onder I.3.3). Gelet op de omstandigheid dat (i) de bewindvoerder [verzoekster] niet zelf heeft geprobeerd te benaderen over het beschermingsbewind, maar van mening was dat zij dit aan Plangroep mocht overlaten [9] , hetgeen zij ook heeft gedaan, en (ii) het hof niet zonder nader onderzoek heeft mogen vaststellen dat [verzoekster] niet open zou staan voor contact met de bewindvoerder, heeft het hof:
onderdeel I.3.1) en
onderdeel I.3.2).
Voorzitter: u bent in maart 2013 tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Na anderhalf jaar was er een verhoor bij de rechter-commissaris omdat uw regeling niet goed liep. Wat is er toen met u besproken?
het erop lijktdat [[verzoekster]] niet bij machte is om de verplichtingen [uit de schuldsaneringsregeling, A-G] na te komen” [14] . Het tot uitgangspunt nemen van deze overwegingen dwingt niet tot de conclusie dat [verzoekster] bij al haar in die periode genomen beslissingen ook daadwerkelijk gehinderd werd door (psychische) problematiek. Het feitelijke hofoordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] met betrekking tot de beslissing om af te zien van beschermingsbewind werd gehinderd door (psychische) problematiek, is dan ook niet zonder meer strijdig met deze overwegingen van de rechtbank. Evenmin is dit feitelijke oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu dit is toegelicht door te wijzen op de – in cassatie onbestreden – omstandigheden dat (i) [verzoekster] na het rechtbankvonnis uit april 2015 zelf contact heeft opgenomen met diverse instanties om zich te laten voorlichten over het beschermingsbewind, (ii) [verzoekster] aldus zicht heeft gekregen op de inhoud en consequenties van het beschermingsbewind en (iii) dit aansluit bij de verklaring van [verzoekster] dat het in 2015 zoveel beter met haar ging dat zij geen behandeling/begeleiding meer nodig had voor haar psychische klachten.
onderdelen I.5 en I.6bevatten alleen voortbouwende klachten, die gelet op het voorgaande geen inhoudelijke bespreking behoeven.