Conclusie
Ad. b. De bijzondere opsporingsbevoegdheid van pseudokoop en het 'Karman'-criterium
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een Belgische rechtspersoon en een verdachte centraal wegens het opzettelijk afleveren en binnenbrengen van bestrijdingsmiddelen die niet zijn toegelaten volgens de Nederlandse Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte feitelijke leiding gaf aan deze verboden gedragingen en legde een geldboete op.
De verdediging voerde onder meer aan dat de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid van pseudokoop onrechtmatig was en dat het OM niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Het hof oordeelde dat de inzet van pseudokoop rechtmatig was, de wettelijke vereisten waren nageleefd en proportionaliteit en subsidiariteit in acht waren genomen. Daarnaast werd geoordeeld dat de verlenging van het bevel tot pseudokoop gerechtvaardigd was.
Verder werd betoogd dat het Nederlandse verbod op het afleveren van bestrijdingsmiddelen die in België wel zijn toegelaten, maar in Nederland niet, in strijd zou zijn met het vrije verkeer van goederen binnen de EU. Het hof verwierp dit verweer omdat de geleverde middelen niet kennelijk bestemd waren voor uitvoer, en de nationale regelgeving gerechtvaardigd was op grond van bescherming van gezondheid en milieu.
Ten slotte werd een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vastgesteld, wat aanleiding gaf tot een strafvermindering. De Hoge Raad concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, behoudens een strafvermindering, en bevestigt de rechtmatigheid van de opsporingsmethoden en de strafbaarheid van de gedragingen.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen met strafvermindering; rechtmatigheid pseudokoop en strafbaarheid bevestigd.