Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
formeleschuld te betalen die hij niet betaald zou hebben als hij had geweten dat die schuld niet rechtsgeldig geformaliseerd en daarmee niet-afdwingbaar is. Dit volgt ook uit de civiele rechtspraak (HR NJ 1984, 726, Delta Lloyd/Ontvanger).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.De wet(sgeschiedenis)
AB1979, 70). In het algemeen zal schriftelijke vastlegging van een besluit slechts achterwege blijven als het besluit gericht is op onmiddellijke uitvoering door degene aan wie het mondeling of door een teken wordt bekendgemaakt. In andere gevallen zal van het bestuur in het algemeen verlangd kunnen worden dat het een besluit schriftelijk vastlegt. Wordt een vergunning, een uitkering of een subsidie aangevraagd of een aanslag opgelegd, dan behoort de beslissing daarop schriftelijk te worden genomen. Volstaat een bestuursorgaan met een mondeling besluit in gevallen waarin een schriftelijk besluit verlangd mag worden, dan kan tegen het ontbreken van een schriftelijk besluit ingevolge artikel 6:2 op Pro dezelfde wijze worden opgekomen als tegen de weigering een besluit te nemen.”
en formeel vastgestelde
curs. PJW)”
datbij beschikking worden vastgesteld en moet het bij die beschikking vastgestelde bedrag ‘op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt’ worden. Het gaat in casu om een overschrijding van de betalingstermijn, zodat volgens de wet de beschikking waarbij de verschuldigde invorderingsrente moet worden vastgesteld, ‘op andere wijze’ (dan bij afschrift van uitspraak op bezwaar of van kennisgeving van teruggaaf) schriftelijk kenbaar moet worden gemaakt. Volgens de geciteerde Memorie van Toelichting kan dat bijvoorbeeld door vermelding van de invorderingsrente op een aan de belastingschuldige toegezonden acceptgirokaart.
5.Beleid
1. Voor bezwaar vatbare beschikking
6.Jurisprudentie
Hof ’s-Gravenhage oordeelde dat de acceptgirokaart geen beschikking of afschrift daarvan was zoals bedoeld in art. 18b Inv. 1845 omdat hij niet vermeldde dat hij afkomstig was van de ontvanger, slechts de verantwoording van een betaling meedeelde, en niet door de term ‘beschikking’ of ‘afschrift van een beschikking' kenbaar maakte dat hij een beschikking van de ontvanger inhield. Het Hof vernietigde daarom de uitspraak op bezwaar die volgens hem “in wezen een non-existente beschikking handhaafde” en verklaarde belanghebbendes bezwaar daartegen niet-ontvankelijk, overwegende dat de rechtmatigheid van invorderingsmaatregelen ter zake van invorderingsrente die niet eerst bij beschikking is vastgesteld, niet ter beoordeling staat van de belastingrechter, maar ter beoordeling van de burgerlijke rechter.
retrievableis, kan immers net zomin als een mutatieboeking op een rekening-courant aangemerkt worden als ‘schriftelijke beslissing’. Wilt u – de overigens onduidelijke rechtsregel uit - HR BNB 1991/147 handhaven, dan moet u ofwel (i) de term ‘schriftelijk’ in art. 1:3 Awb Pro in afwijking van de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrecht aanzienlijk oprekken met mogelijke gevolgen elders in het bestuursrecht waar u niet de hoogste rechter bent (zodat rechtseenheidsoverleg aangewezen is), ofwel (ii) art. 30 Inv Pro. tegen de tekst van art. 1(2) Inv. en art. 4:86 Awb Pro in en zonder steun in de wetsgeschiedenis van de Awb of de Invorderingswet aanmerken als een Awb-uitsluiter.
7.Beoordeling van de middelen (ii) en (iv)
‘kenbaar maken’ van de bij die beschikking geformaliseerde verschuldigdheid van een rentebedrag. Art. 30 Inv Pro. zegt immers enerzijds dat de ontvanger invorderingsrente bij - voor bezwaar vatbare - beschikking moet vaststellen en anderzijds dat hij het bedrag van de bij die beschikking vastgestelde invorderingsrente ‘op andere wijze’ bekend moet maken aan de belastingschuldige. Blijkens de tekst van en de toelichting op art. 30 Inv Pro. betekent ‘op andere wijze’ kennelijk: anders dan door toezending van de beschikking of van een afschrift daarvan. Volgens de tekst van art. 30(1) Inv. hoeft immers niet de beschikking kenbaar gemaakt te worden, maar slechts het bij die beschikking vastgestelde rentebedrag.
beschikkingbekend gemaakt wordt en dat de
beschikkinghet bedrag van de bestuurlijke geldschuld, de betaaltermijn en de rechtsmiddelen vermeldt. Het strookt evenmin met art. 6:8 Awb Pro en (het ook op ontvangersbeschikkingen toepasselijke) art. 22j AWR (aanvang bezwaartermijn), die beide even zeer vooronderstellen dat het
besluit/de
beschikkingbekend wordt gemaakt. Art. 22j AWR vooronderstelt dat een ‘afschrift’ van de genomen beschikking is toegezonden. Ik maak uit een en ander op dat (alleen) voor wat betreft de
bekendmakingvan de beschikking (niet voor wat betreft de beschikking zelf) art. 30(1) Inv. een
lex specialisis: in afwijking van het algemene bestuursrecht én van het overige fiscale bestuursrecht, hoeft niet de
beschikking, maar alleen het bij beschikking vastgestelde rentebedrag, de betaaltermijn en de rechtsmiddelen bekend gemaakt te worden.
afdwingbarebetalingsverplichting. De uitschakeling van art. 3:40 Awb Pro verandert daar niets aan, want die brengt slechts mee dat de beschikking meteen in werking treedt (zodat afgeboekt kan worden) en daarmee vóór haar bekendmaking aan de belastingschuldige; zij strekt er geenszins toe rente te kunnen (dwang)invorderen zonder enige daartoe (al dan niet achteraf) legitimerende beschikking.
formelebelasting- of renteschuld moet betalen die echter zonder formalisering niet bestaat. [31] Dit strookt met de civiele rechtspraak: iemand die onder druk van beslag door de ontvanger – maar zonder de voor afgifteplicht vereiste verklaringsprocedure – de schuld van een derde aan de ontvanger betaalt omdat hij meent iets aan die derde verschuldigd te zijn, kan terugvorderen van de ontvanger als later blijkt dat hij per saldo niets aan die derde verschuldigd was en hij zonder die druk niet betaald zou hebben (zie HR 22 april 1983, nr. 12034 (Delta Lloyd/Ontvanger), ECLI:NL:HR:1983:AG4576, na conclusie Ten Kate, NJ 1984, 726, noot Brunner). Beslissend voor de terugvorderbaarheid van niet-geformaliseerde belasting of invorderingsrente is de
vermeendetitel van betaling: [32] de belanghebbende wilde niet onverplicht aan een eventueel bestaande natuurlijke verbintenis voldoen maar meende een
formelerenteschuld te moeten betalen die echter - volgens het Hof - niet blijkt te bestaan bij gebrek aan een formaliserende beschikking. Had de belanghebbende geweten dat er geen formalisering en dus titel voor invordering was, dan zou hij de rente zeker niet vrijwillig betaald hebben. Hij had in casu geen keus (de ontvanger boekte eenzijdig af als rente); uit de door hem ingenomen standpunten blijkt duidelijk dat hij – had hij wel een keuze gehad – geen rente betaald zou hebben zonder afdwingbare verschuldigdheid ervan.
bedragvan die rente, en had belanghebbendes bezwaren daartegen inhoudelijk moeten behandelen. Uit HR BNB 1991/147 volgt dat daaraan niet in de weg staat dat (ook) die brieven geen rechtsmiddelverwijzing bevatten, nu zij wél de (reeds betaalde, want reeds afgeboekte) invorderingsrente specificeerden. De acceptgirokaarten kunnen niet als bekendmaking van de invorderingsrente worden beschouwd omdat zij geen bedrag aan invorderingsrente noemen. Gezien de nalatigheid van de ontvanger en diens onjuiste mededelingen over het rechtskundige karakter van zowel zijn acceptgirokaarten als zijn brieven, kan de belanghebbende niet verweten worden dat hem niet duidelijk was waartegen hij in bezwaar moest gaan, zodat ook zijn bezwaar tegen de brief van 6 juli 2012 wel degelijk ontvankelijk was (tegen de brief van 14 augustus 2013 heeft hij hoe dan ook tijdig bezwaar gemaakt). Hoofdstuk 6 Awb is weliswaar niet van toepassing (zie art. 1(2) Inv.), waardoor ook art. 6:11 over Pro verschoonbaarheid van termijnoverschrijding niet van toepassing zou zijn, maar art. 30 Inv Pro. verklaart wel hoofdstuk V AWR van toepassing, waardoor mijns inziens de bepalingen uit de Awb die voor bezwaar en beroep tegen de heffing gelden, ook gelden voor bezwaar en beroep tegen de invordering. En anders verhinderen mijns inziens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het
Estoppel-beginsel dat aan de belanghebbende een bezwaartermijnoverschrijding tegengeworpen wordt.