ECLI:NL:HR:2005:AS5040
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen invorderingskosten bij betaling vóór dwangbevel zonder vastgestelde invorderingsrente
In deze zaak stond centraal de vraag of kosten van vervolging in rekening mogen worden gebracht aan belanghebbende nadat deze het openstaande bedrag van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen had voldaan vóór de betekening van een dwangbevel. Belanghebbende had een bedrag van ƒ 73.020 betaald, gelijk aan het openstaande bedrag, voordat het dwangbevel op 21 mei 2001 werd betekend.
De ontvanger had de betaling gesplitst in hoofdsom en invorderingsrente, waarbij de invorderingsrente pas definitief wordt vastgesteld bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Het hof had geoordeeld dat de kosten van vervolging ten onrechte in rekening waren gebracht en deze tot nihil verminderd. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in.
De Hoge Raad oordeelde dat het in dit soort gevallen niet is toegestaan kosten van invordering te heffen zonder dat de belastingschuldige de gelegenheid heeft gehad kennis te nemen van het exacte bedrag dat nog verschuldigd is na toerekening van de betaling en zonder dat dit bedrag definitief is vastgesteld. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten.
Deze uitspraak bevestigt het zorgvuldigheidsbeginsel bij de invordering van belastingen en beperkt de mogelijkheid tot het in rekening brengen van kosten van vervolging wanneer de belastingschuldige tijdig betaalt en de invorderingsrente nog niet definitief is vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de kosten van vervolging mogen niet in rekening worden gebracht.