De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder diefstal met inklimming van een stroomkabel van een bouwterrein te Leiden. Het hof baseerde de bewezenverklaring op verklaringen van de verdachte en proces-verbalen van politie, waarin onder meer werd vastgesteld dat het hekwerk rondom het bouwterrein geopend was.
De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was voor de bewezenverklaring dat hij zich toegang had verschaft door inklimming. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake was van inklimming, aangezien het hekwerk geopend was en de verklaringen van de verdachte over inklimming in eerste aanleg waren ingetrokken en door het hof niet als bewijs waren gebruikt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft met betrekking tot de inklimming en wees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Voor de overige tenlastegelegde feiten werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad vond dat de verdachte voldoende belang had bij vernietiging omdat niet kon worden uitgesloten dat een hernieuwde behandeling tot een andere uitkomst zou leiden.