Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
eerste middelonderdeel). Het is belanghebbende niet duidelijk of het Hof impliciet tot dat oordeel komt. Volgens belanghebbende is van belang te beoordelen of het product een lampenkap en/of reflector is. Het oordeel of het product een lampenkap en/of reflector is, betreft volgens belanghebbende geen vaststelling van feiten, maar de uitleg van het begrip ‘delen’ en de begrippen ‘lampenkap’ en/of ‘reflector’ in de GS-toelichtingen bij hoofdstuk 94 en bij post 9405, zodat de Hoge Raad zelf een oordeel kan geven in cassatie. Belanghebbende is van mening dat de vorm en de kenmerken van het product erop wijzen dat het product uitsluitend is gemaakt om deel uit te maken van een verlichtingstoestel in de zin van post 9405 van de GN (en dus voldoet aan de GS-toelichting bij hoofdstuk 94 van de GN) en in alle relevante opzichten gelijk is aan een lampenkap. Het product is volgens belanghebbende eveneens een reflector, omdat de aluminium binnenkant het licht van de tl-balk reflecteert.
tweede middelonderdeel). Anders dan het Hof oordeelt, vervangt de door het HvJ gegeven definitie naar het oordeel van belanghebbende niet alle bestaande wet- en regelgeving over het begrip ‘delen’. Ter illustratie wijst belanghebbende op het arrest
HARK [7] . Zij merkt op dat het HvJ in punt 34 nadrukkelijk erop wijst dat de in die zaak in te delen buisbochtstukken niet expliciet worden genoemd in (onder meer) de toelichting op de GN of het GS. In geen van zijn arresten heeft het HvJ volgens belanghebbende de GS-toelichtingen terzijde geschoven en zijn eigen definitie in de jurisprudentie in de plaats dan wel boven de bestaande GS-toelichtingen willen stellen.
derde middelonderdeel). Dat de lamp zonder lampenkap ook kan schijnen is volgens belanghebbende niet relevant, omdat de werking van de lichtbron moet worden onderscheiden van de werking van het verlichtingstoestel. Voor de werking van het verlichtingstoestel is een lampenkap noodzakelijk. Het oordeel van het Hof dat de mechanische en elektrische werking van aquariumverlichting niet afhangt van de aanwezigheid van het product, is volgens belanghebbende dus onjuist. [9] Dit oordeel strookt volgens belanghebbende bovendien niet met het eerdere oordeel van het Hof (in punt 5.4 van zijn uitspraak) dat het HvJ één enkele definitie heeft willen geven die geldt voor alle hoofdstukken van de GN. Een groot deel van die hoofdstukken bevat volgens belanghebbende goederen die een mechanische noch elektrische werking hebben. Onderdelen van deze goederen zouden, aldus nog steeds belanghebbende, naar het verstrekkende algemene oordeel van het Hof nooit als ‘delen’ kunnen worden ingedeeld.
5.Algemene wettelijke kader voor de indeling van goederen
Stryker EMEA Supply Chain Services BV [14] , oordeelt het HvJ als volgt:
Medical Imaging Systems [15] overweegt het HvJ daaromtrent:
Medical Imaging Systems:
6.Het begrip ‘delen’ als bedoeld in post 9405 van de GN
Lemnis Lighting BV [20] geoordeeld dat in het belang van een coherente en uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief het begrip ‘delen’ in de zin van post 9405 van de GN dezelfde definitie dient te krijgen als die welke voortvloeit uit de rechtspraak van het HvJ over andere hoofdstukken van de GN. Ik noem ook
Rohm Semiconductor GmbH [21] waarin het HvJ oordeelt dat hij aan het begrip ‘delen’ één enkele definitie heeft willen geven die geldt voor alle hoofdstukken van de GN.
Lemnis Lighting BV:
Lemnis Lighting BVdat ledlampen niet onder post 9405 van de GN vallen, omdat zij niet kunnen worden aangemerkt als delen van verlichtingstoestellen voor de werking waarvan deze lampen onmisbaar zijn. Onder verwijzing naar de schriftelijke opmerkingen van de Europese Commissie oordeelt het HvJ dat het mechanisch of elektrisch functioneren van een verlichtingstoestel (de betreffende ledlamp is bestemd te worden aangebracht in een armatuur) niet afhangt van het al dan niet aanwezig zijn van een ledlamp, ook al kan dit toestel zonder lamp geen licht verspreiden. Met andere woorden; zonder ledlamp kan het verlichtingstoestel (de armatuur) niet de functie vervullen waarvoor het verlichtingstoestel is bestemd (het verspreiden van licht), maar het verlichtingstoestel is voor de werking ervan niet afhankelijk van de ledlamp (het niet verspreiden van licht is niet het gevolg van een gebrekkige werking van het verlichtingstoestel, maar van het ontbreken van een lamp). Hierdoor is geen sprake van een ‘deel’ van een verlichtingstoestel.
Turbon International GmbH [23] ,waarin het HvJ oordeelt dat een inktcartridge geen deel uitmaakt van een printer:
Turbon International II [24] ). Turbon betoogt in
Turbon International IIdat dit oordeel van het HvJ feitelijk onjuist is, omdat:
Turbon International GmbHzijn eigen definitie van het begrip ‘delen’ niet goed te hebben toegepast, hoewel dat in
Turbon International IIniet met zoveel woorden wordt erkend. [25]
HARK [26] . Dit betrof de indeling van stalen kachelbuissets (bestaande uit een buisbochtstuk [27] , een afsluitdeksel, een schoorsteenverbindingsstuk en een passende afsluiter). Uit de feitelijke vaststellingen van de Duitse verwijzende rechter volgt, zo overweegt het HvJ in punt 38 dat (i) het buisbochtstuk, het verbindingsstuk en de afsluiter, exclusief zijn bestemd voor kachels, (ii) het buisbochtstuk dient om de kachel te verbinden met de schoorsteen en (iii) bij het ontbreken van een dergelijk verbindingsstuk de kachel niet in werking kan worden gesteld, daar anders de rookgassen zouden ontsnappen. Deze omstandigheden leiden het HvJ tot het oordeel dat het buisbochtstuk onmisbaar is voor de werking van de kachel en derhalve kan worden aangemerkt als een deel van een kachel. Zonder dat buisbochtstuk kan de kachel niet alleen de functie waarvoor de kachel is bestemd niet vervullen, maar functioneert de kachel überhaupt niet. Althans, zo leg ik het oordeel van het HvJ uit in het licht van de definitie zoals het HvJ die toepast in
Turbon International GmbH.
HARK. [28] Hij merkt op dat voor het HvJ de enkele constatering dat bij het ontbreken van het buisbochtstuk de rookgassen zouden ontsnappen, voldoende is te oordelen dat het buisbochtstuk onmisbaar is voor de werking van de kachel. Dat oordeel valt volgens hem niet te rijmen met de definitie van het begrip ‘delen’ die het HvJ zegt toe te passen, omdat het HvJ dan had behoren na te gaan of de werking van de kachel afhangt van de aanwezigheid van het buisbochtstuk. De enkele constatering dat anders de rookgassen zouden ontsnappen is volgens Van Brummelen onvoldoende. Dat de kamer vol rook komt te staan, wil immers geenszins zeggen dat de kachel niet functioneert, integendeel. Van Brummelen nuanceert zijn kritiek vervolgens enigszins door op te merken dat in punt 28 van
HARKwel een aanwijzing is te vinden dat de verbinding met een rookkanaal essentieel is voor de werking van een kachel. In dat punt is vermeld dat Hark betoogt dat bij het ontbreken van deze verbinding geen ‘trekgat’ bestaat voor de afvoer van de rookgassen van de kachel naar de schoorsteen. Zonder trekgat dooft het vuur in de kachel korte tijd na het ontbranden uit vanwege de rookgassen die in de kachel achterblijven. Zoals ik hiervoor al aangaf is naar mijn mening deze laatste uitleg – het buisbochtstuk is onmisbaar voor de werking van de kachel, omdat zonder dat buisbochtstuk geen vuur kan branden in de kachel en de kachel dus in het geheel niet werkt – meer in lijn met de definitie zoals toegepast in
Turbon International GmbHdan de strikte uitleg van Van Brummelen
.Ik ben het met Van Brummelen eens dat het HvJ zijn oordeel beter had kunnen motiveren.
HARKniet is te rijmen met eerdere rechtspraak van het HvJ, vindt Van Slooten dat
HARKop zichzelf geen afwijking van eerdere rechtspraak van het HvJ behoeft te zijn. [29] Volgens hem ligt in het oordeel van het HvJ besloten “dat, indien een product bestemd en geschikt is om een bepaalde functionaliteit te vervullen die voor de werking van het geheel noodzakelijk is, althans aan het vervullen van die functie kan bijdragen, het ingedeeld kan worden als ‘deel’.” Met die uitleg lijkt het HvJ volgens Van Slooten uit te gaan van een functionele en niet zozeer van een productspecifieke benadering, in de zin dat niet het in te delen product als zodanig noodzakelijk behoeft te zijn voor de werking van het geheel. Hij licht dit als volgt toe:
Rohm & Haas [30] . In dat arrest oordeelt het HvJ dat polijstlappen [31] niet kwalificeren als delen van een machine voor het polijsten van schijven van halfgeleidermateriaal. Daartoe overweegt het HvJ (cursivering van mijn hand):
dergelijkepolijstlap. Bijgevolg zijn de polijstlappen niet onmisbaar voor de werking van de machines voor het polijsten van dergelijke schijven.
meerdere polijstlappenkunnen worden gebruikt.”
Rohm & Haasals: “een polijstmachine is niet bruikbaar zonder polijstlap, maar omdat de polijstmachine “het wel doet” zonder polijstlap, is de polijstlap geen deel van een polijstmachine.” [32]
dergelijkepolijstlap. Die vaststelling wordt volgens het HvJ bevestigd doordat bij de machines
meerderepolijstlappen kunnen worden gebruikt. De vraag is wat het HvJ met ‘dergelijke’ heeft bedoeld en of achter ‘meerdere’ niet ‘soorten’ had moeten worden ingevoegd (meerdere soorten polijstlappen). Het antwoord kan worden gevonden in andere taalversies van de punten 35 en met name 36 van
Rohm & Haas. In de onderstaande Engelse, Duitse en respectievelijk Franse taalversies wordt namelijk wel gesproken van meerdere/verschillende
soortenpolijstlappen (cursivering van mijn hand):
typesof polishing pad may be fitted on a semiconductor wafer-polishing machine.”
Artenvon Polierscheiben ausgerüstet werden kann.”
typesde tampons de polissage.”
Rohm & Haasdus aan een kwalificatie als deel van de machine in de weg. Naar mijn mening moet het oordeel van het HvJ aldus worden gelezen dat de machine zonder de polijstlappen wellicht niet naar behoren functioneert, maar dat dit ‘disfunctioneren’ niet ligt aan de gebrekkige werking van de machine, maar aan het ontbreken van polijstlappen. Het al dan niet aanwezig zijn van polijstlappen heeft geen invloed op de mechanische werking van de machine. In zoverre valt dan ook te verklaren dat het HvJ in zijn oordeel meeweegt dat meerdere soorten polijstlappen kunnen worden gebruikt. Dit duidt erop dat het voor de (mechanische) werking van de machine zelf niet uitmaakt dat en, zo ja, welk soort polijstlap wordt gebruikt. Dit was kennelijk anders in
HARK, waar het buisbochtstuk naar het oordeel van het HvJ wel van invloed is op het functioneren (de mechanische werking) van de kachel zelf en dus onmisbaar is.
Rohm & Haasheb ik in de andere hiervoor besproken arresten namelijk geen aanwijzingen gevonden voor een meer beperkte uitleg.
Rohm & Haas:
Unomedical [34] . In die zaak ging het om de vraag of een urineopvangzak deel uitmaakt van een katheter en of een opvangzak voor dialyse deel uitmaakt van een dialysemachine. Het HvJ oordeelt als volgt, waarbij ik met name op punt 37 wijs:
RUMA [35] ,over de tariefindeling van toetsenbordfolie [36] . In dat arrest oordeelt het HvJ dat zonder dit folie het onmogelijk is toegang te krijgen tot de verschillende functies van de mobiele telefoon. De toetsenbordfolie is volgens het HvJ ontegenzeglijk een onmisbaar onderdeel voor de werking van de mobiele telefoon. In deze zaak is de (mechanische) werking, of anders gezegd, het eigenlijke functioneren van de mobiele telefoon dus wel afhankelijk van de toetsenbordfolie. Het oordeel van het HvJ luidt als volgt:
derde middelonderdeelkan mijns inziens derhalve niet tot cassatie leiden. Ik verwijs in dit verband ook naar het oordeel van het HvJ in
Lemnis Lighting BV(zie punt 6.12 van deze conclusie).
eerste en tweede middelonderdeelfalen derhalve ook. Of het product wel of nu juist niet een lampenkap en/of reflector is doet er niet toe, zolang de werking van de aquariumverlichting niet afhankelijk is van het onderhavige product.