ECLI:NL:PHR:2017:610

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 mei 2017
Publicatiedatum
10 juli 2017
Zaaknummer
16/00286
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14j SrArt. 358 lid 3 SvArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor eenvoudige belediging en wederspannigheid jegens een ambtenaar. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op met een proeftijd van twee jaar en gelastte de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van dezelfde duur.

De verdediging voerde aan dat het hof de motivering van de tenuitvoerlegging onvoldoende had onderbouwd, met name gezien de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het verwerken van de moord op zijn vader, therapie, en gedragsverbetering. Het hof had bij de strafoplegging in de hoofdzaak juist rekening gehouden met deze omstandigheden door een voorwaardelijke straf op te leggen, maar bij de tenuitvoerlegging van de eerdere straf stelde het hof dat geen bijzondere omstandigheden tot een andere beslissing leidden.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn beslissing tot tenuitvoerlegging onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat deze niet in overeenstemming is met de eerdere overwegingen over de gewijzigde omstandigheden van verdachte. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de tenuitvoerlegging betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 16/00286
Zitting: 30 mei 2017
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 24 december 2015 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 6 augustus 2014, waarbij de verdachte ter zake van 1.
“eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”en 2.
“wederspannigheid”is veroordeeld, met overneming van de gronden bevestigd, met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2012 (parketnummer 05-201651-11) aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelklaagt over de motivering van de beslissing van het hof tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 december 2015 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsvrouw voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven, als volgt:
Het is een strafmaatappel. Vorig jaar was een heftig jaar voor mijn cliënt. Het lichaam van zijn vader werd in een brandend busje aangetroffen; vermoord. Dat heeft hem heel erg aangegrepen. Hij heeft moeite om dit te verwerken. Hij krijgt individuele therapie gericht op agressiehantering. Dat is op vrijwillige basis. Hij is gestopt met drinken en heeft geen contact meer met ‘foute’ familieleden. Hij heeft weer contact met zijn dochtertje. Hij werkt als inkoper van oud ijzer. Hij probeert zijn eigen bedrijf op te starten.
Hij heeft van zijn psycholoog opdracht gekregen stress te vermijden en deze zitting is stressvol voor hem. Sinds dit feit is hij niet meer in aanraking geweest met justitie.
Ik verzoek het hof geen onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen. Dat kan hij op dit moment niet aan. Ik bepleit de oplegging van een voorwaardelijke straf en/of een geldboete en het afwijzen van de vordering tot tenuitvoerlegging.”
5. Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging in de hoofdzaak, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“(…) Door de raadsvrouw is ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte in die periode veel te verwerken had doordat zijn vader kort na de onderhavige feiten was vermoord. Inmiddels heeft verdachte hulp gezocht bij een psycholoog, is hij gestopt met alcoholgebruik, is hij aan het werk en woont hij samen met zijn vriendin. Sinds dit feit is hij niet meer in aanraking geweest met justitie. Verdachte heeft zijn leven gebeterd en een geheel voorwaardelijke straf is nu passend, aldus de raadsvrouw.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - zoals opgelegd door de rechter in eerste aanleg - een passende bestraffing is. Gelet op hetgeen omtrent verdachtes gewijzigde persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting van het hof naar voren is gekomen, ziet het hof echter aanleiding om de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.”
6. Het hof heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging het volgende overwogen:
“Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2012 met parketnummer 05-201651-11, is veroordeelde onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 22 augustus 2012, op welke datum tevens de proeftijd is ingegaan. De officier van justitie heeft op 19 juni 2014 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, omdat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd schuldig zou hebben gemaakt aan het ten laste gelegde.
Nu gebleken is dat veroordeelde de hiervoor bewezen verklaarde feiten heeft begaan vóór het einde van de proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf gelasten.
Bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing zouden moeten leiden, zijn het hof niet gebleken.”
7. De steller van het middel voert aan dat de overwegingen van het hof onderling tegenstrijdig zijn. Immers, in de hoofdzaak heeft het hof in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding gezien om hem niet een onvoorwaardelijke, maar een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, terwijl het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken heeft toegewezen, op de grond dat van bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing zouden moeten leiden niet is gebleken. Gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd alsmede hetgeen door het hof is overwogen ter zake de onwenselijkheid van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, diende de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf nader te worden gemotiveerd.
8. Ingevolge het eerste lid van art. 14j Sr dienen rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen van het openbaar ministerie met redenen te zijn omkleed. Een bevel tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf moet derhalve onder opgave van redenen geschieden. [1] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad betreffende klachten over het gelasten van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde dat geen strafbaar feit zal worden gepleegd, blijkt dat de rechter in het algemeen kan volstaan met de constatering dat in de proeftijd een strafbaar feit is gepleegd. Naast de algemene motiveringsverplichting bestaan er bij het geven van een bevel tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf geen bijzondere motiveringsvoorschriften. De artikelen 358, derde lid, Sv en 359, tweede lid, Sv zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De wet verplicht daarmee de rechter dus niet om in te gaan op een voorstel tot afwijzing van de vordering, verlenging van de proeftijd of omzetting van een gevangenisstraf in een werkstraf. [2]
9. Hoewel het hof ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft vastgesteld dat de veroordeelde de in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten heeft begaan vóór het einde van de proeftijd en het hof op het voorstel van de verdediging tot afwijzing van de vordering niet behoefde in te gaan, heeft het hof zijn beslissing tot tenuitvoerlegging in de onderhavige zaak desalniettemin ontoereikend met redenen omkleed. Het hof heeft immers ten aanzien van zijn beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken bovendien overwogen dat bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing zouden moeten leiden niet zijn gebleken. Dat bevreemdt nogal, nu het hof bij de strafoplegging in de hoofdzaak heeft betrokken
“verdachtes gewijzigde persoonlijke omstandigheden”die ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gekomen. Uit de overwegingen van het hof volgt dat de verdachte op verschillende gebieden een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt na een periode waarin hij, doordat zijn vader kort na de bewezenverklaarde feiten in de hoofdzaak was vermoord, veel te verwerken heeft gehad. In deze gewijzigde omstandigheden heeft het hof aanleiding gezien om, ondanks zijn oordeel dat in onderhavige zaak in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende bestraffing zou zijn, de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen. In het licht van ’s hofs motivering van de strafoplegging in de hoofdzaak, is de motivering van zijn beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken mijns inziens niet begrijpelijk.
10. Het middel is terecht voorgesteld.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2012 onder parketnummer 05/201651-11 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie bijv. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2525, waarin de in art. 14j, eerste lid, Sr vereiste motivering ontbrak.
2.Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5582,