Conclusie
(hierna: [betrokkene 3] respectievelijk [verweerder] )
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1, dat in drie subonderdelen uiteenvalt, voert aan dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven, door in rov. 3.5.1 t/m 3.5.10 van het bestreden arrest te beslissen dat [verweerder] niet is tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen uit de huurovereenkomst, althans dat de tekortkomingen van [verweerder] niet ernstig genoeg zijn om ontbinding van de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende gevolgen te rechtvaardigen.
terloopsaan de orde gestelde omstandigheid dat [verweerder] ‘weigerde de verhuurder toegang te verlenen tot het pand’. Bovendien gaat het subonderdeel eraan voorbij dat deze omstandigheid is aangevoerd in het kader van de vordering van [eiseres] tot veroordeling van [verweerder] tot de verbeurde boete van € 250,- per dag op grond van art. 7 van Pro de algemene voorwaarden. Nog daargelaten dat [eiseres] de onrechtmatige beslaglegging van [verweerder] ten laste van [eiseres] in hoger beroep heeft aangevoerd in het kader van haar verweer tegen het in grief 6 vervatte standpunt van [verweerder] dat de kantonrechter ten onrechte tot ontbinding van de huurovereenkomst heeft besloten (zie MvA, nr. 102), geldt dat [eiseres] ook deze omstandigheid terloops in het geding heeft gebracht zonder verder aan te geven waarom dit een tekortkoming van [verweerder] oplevert waarin een rechtvaardiging kan worden gevonden voor ontbinding van de huurovereenkomst.
subonderdeel 2awordt betoogd dat het hof ten onrechte meer heeft toegewezen dan [verweerder] heeft gevorderd. Het middel betoogt dat uit het petitum van de memorie van grieven blijkt dat [verweerder] een verklaring voor recht heeft gevorderd, terwijl het hof [eiseres] heeft veroordeeld om de schade van [verweerder] te vergoeden en partijen ter zake te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Volgens het middel is het hof hierdoor extra petitum gegaan door in zoverre niet een declaratoir maar een condemnatoir arrest te wijzen. Volgens
subonderdeel 2bis de beslissing van het hof om [eiseres] te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat wegens de onrechtmatige executie van het door het hof vernietigde vonnis van de kantonrechter, in strijd met HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327, NJ 2005/246, m.nt. H.J. Snijders. Volgens het subonderdeel kan, indien de ongedaanmaking inmiddels onmogelijk is geworden, de vraag of en in hoeverre dan plaats is voor schadevergoeding in hoger beroep niet tegelijk met de vordering tot vernietiging van het in eerste aanleg gewezen vonnis aan de orde worden gesteld. Het hof heeft deze regel miskend en [eiseres] ten onrechte veroordeeld tot vergoeding van de schade die [verweerder] stelt te hebben geleden door de onrechtmatige executie van het vonnis in reconventie en partijen ten onrechte naar de schadestaatprocedure verwezen, aldus het subonderdeel.