Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Bankrekeningen met nummers [001] en [002]
incidentele grief 7luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de met de aanschaf van de twee auto’s (€ 46.700,-) en de contante opnames door de man (€ 18.000,-) gepaard gaande bedragen niet in de gemeenschap vallen. De
incidentele grief 2betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van de man dat hij een bedrag van € 18.000,- in een kluis heeft gelegd.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
dubbeleuitkering wenst, aangezien de rechtbank al heeft geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat de opname van € 18.000,- een benadeling inhoudt. Het hof had op deze stelling moeten responderen, te weten dat het één en dezelfde vordering van € 18.000,- betreft. Het hof heeft, in navolging van de vrouw, ten onrechte een dubbeltelling gehanteerd die niet uit het debat van partijen in eerste aanleg volgt en heeft hetzelfde bedrag ten onrechte twee keer verdeeld. Het hof heeft hetzij dit alles miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
nog een keer€ 18.000,- vordert, ligt het op de weg van
de vrouwom te stellen en te bewijzen dat er op de peildatum nog € 18.000,- in de kluis lag. De man heeft dat gemotiveerd betwist, onder meer door te stellen dat hij op 2 januari 2013 € 20.700,- op zijn rekening heeft gestort [3] en door ter zitting van het hof de aanwezigheid van privégeld in de kluis op de peildatum te betwisten. [4] Het hof had bij gebreke van een ter zake dienend bewijsaanbod van de zijde van de vrouw met toepassing van art. 149 Rv Pro dit feit (bedoeld zal zijn de stelling van de vrouw dat er op de peildatum nog € 18.000,- in de kluis lag) niet, althans niet zonder nadere motivering, als vaststaand mogen aannemen. Het hof heeft dit alles miskend, althans een onbegrijpelijk danwel ontoereikend gemotiveerd oordeel gegeven.
“één en dezelfde vordering van € 18.000,=”. Verder is niet juist de lezing dat het hof in rov. 46 laatste volzin en rov. 51
“de verdeling van de bewuste € 18.000,=”heeft afgewezen. In navolging van de rechtbank heeft het hof daar (enkel) geoordeeld dat uit het door de vrouw gestelde onvoldoende is gebleken dat de man de gemeenschap heeft benadeeld door een bedrag van € 18.000,- aan contanten op te nemen. De afwijzing van het verzoek van de vrouw ex art. 1:164 BW Pro staat, anders dan het middel lijkt te suggereren,
nietin de weg aan toewijzing van het verzoek van de vrouw (voor het eerst in hoger beroep) tot verdeling van het bedrag van € 18.000,- in de kluis. Van de gestelde dubbeltelling c.q. dubbele uitkering is geen sprake. Het bedrag van € 18.000,- wordt niet twee keer verdeeld. In zoverre ontbeert het middel feitelijke grondslag.
nietvoldoende gemotiveerd heeft betwist de stelling van de vrouw dat het door de man opgenomen bedrag van € 18.000,- per peildatum in de kluis lag. Het hof mocht dit feit derhalve als vaststaand aannemen. Dit in hoge mate feitelijke oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is het oordeel niet, mede gelet op de volgende omstandigheden:
Man
herkomstvan het geld van de door de man gestelde storting op of rond 2 januari 2013 [6] :
een gedeelte van het bedrag van € 34.000,- dat de man in contanten bij casino’s heeft opgenomen(zie subonderdeel 2.2).
uit de kluisop 3 januari 2013 heeft teruggestort op de gemeenschappelijke rekening, zodat dit bedrag reeds in de verdeling is betrokken. [9] Het hof heeft in rov. 62 vastgesteld dat de man deze stelling niet aan de hand van stukken nader heeft geadstrueerd. De man heeft in cassatie deze vaststelling niet bestreden.
waarvan € 20.000,- door de meerderjarige zoon contant zou zijn opgenomen en aan de man zou zijn gegeven, op 2 januari 2013 heeft teruggestort (zie subonderdeel 3.1).
geen eenduidig antwoord kunnen gevenover wat er precies met het bedrag uit de kluis is gebeurd. [10] Blijkens het p-v van de zitting bij het hof op 27 mei 2016 heeft de man het volgende verklaard (p. 5):
De man: (…) Ten aanzien van het geld in de kluis: dat betrof geen € 18.000,- maar € 28.300,- Ik verwijs naar de bankafschriften. Van dat geld is € 26.936,- van de BV.
de vrouwfeiten en omstandigheden moet stellen en bij betwisting moet bewijzen, waaruit volgt dat de man na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt of goederen der gemeenschap heeft verspild. Het middel klaagt dat het hof – mede gelet op (de volgorde van) de weergave der stellingen – hetzij deze bewijslastverdeling heeft miskend, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Dit wordt als volgt uitgewerkt.
rov. 47dat “
de man de reden voor de opnames bij casino’s (...) ook in hoger beroep niet, dan wel onvoldoende heeft onderbouwd”, zodat er sprake is van verspilling van gemeenschapsgoederen en derhalve benadeling van de gemeenschap ad € 34.000,-. Het klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is in het licht van de stellingen van de man [12] en de vrouw. [13] Het hof laat bovendien essentiële stellingen van de man (dat er vergelijkbare bedragen regelmatig aan het huis werden uitgegeven, zoals begin 2012 € 12.000,- [14] en dat deze aanpassingen als verbeteringen verwerkt zijn in de getaxeerde waarde van de woning [15] ) onbesproken. Wil er sprake zijn van een verspilling of benadeling van de gemeenschap in de zin van art. 1:164 BW Pro dan is daartoe niet voldoende dat er sprake is van een opname van € 34.000,- en evenmin is bepalend wat het motief van die bewuste opname is geweest,
maar wat er vervolgens met dat bedrag gebeurd is.De man heeft gesteld en de vrouw heeft niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat een deel van het bedrag van € 34.000,- is terugbetaald en dat een ander deel in het onderhoud en verbouwing van het huis is gegaan, alsmede in kosten voor de minderjarige zoon [kind 3]. Het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de wijze van vaststelling van verspilling of benadeling ex art. 1:164 BW Pro, althans heeft een onbegrijpelijk oordeel gegeven, dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Ook uit het p-v van de zitting bij het hof van 27 mei 2016 volgt dat de vrouw, ter zitting, de door de man gestelde uitgaven voor het huis onvoldoende heeft betwist. [16]
rov. 48betreffende de ten behoeve van de zonen opgenomen gelden. In het licht van de stellingen van de man [17] en de vrouw [18] getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht betreffende de benadeling ex artikel 1:164 BW Pro (en omtrent art. 149 Rv Pro), althans is zonder nadere toelichting onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel van het hof dat het
“de door de man gegeven verklaring”voor het opnemen en terugbetalen van ten behoeve van de zonen van partijen opgenomen gelden
“onvoldoende acht”en dat het hof een verspilling als niet of niet voldoende weersproken vaststelt.
met onder meer dit geld”de volgende uitgaven heeft gedaan: [21]
waaraanhij het door hem opgenomen bedrag van € 34.000,- heeft besteed, welk oordeel wordt gerechtvaardigd doordat het in zijn domein ligt om informatie te verschaffen over de besteding van het in casino’s opgenomen bedrag van € 34.000,- aan contanten. [29] Naar het oordeel van het hof heeft de man dit niet of onvoldoende gedaan.
onder meer” [30] dit bedrag aan contanten de onder 2.15 genoemde uitgaven van in totaal € 88.865,22 heeft gedaan, maar de man onderbouwt dit verder niet met (deugdelijke) bewijsmiddelen. In de stellingname van de man ligt verder besloten dat in ieder geval een groot deel van het geld waarmee de gestelde uitgaven zijn gedaan, te weten een bedrag van € 54.865,22, een
andere herkomstheeft. Zelfs indien een of meer van de gestelde uitgaven niet (voldoende gemotiveerd) betwist zouden zijn door de vrouw en als vaststaand moeten worden aangenomen, zoals subonderdeel 2.2 betoogt, dan staat daarmee nog niet vast dat het geld waarmee deze uitgaven zijn gedaan afkomstig is van het bedrag van € 34.000,- aan contanten (en daarmee een betwisting opleveren van de stelling van de vrouw). De man laat immers zelf de mogelijkheid open dat het geld waarmee deze uitgaven zijn gedaan een andere herkomst heeft en in dat geval leveren de door de man gestelde uitgaven geen betwisting op van de stelling van de vrouw dat de geldopnames bij casino’s een benadeling van de gemeenschap opleveren als bedoeld in art. 1:164 BW Pro.
herkomstvan het geld van de door de man gestelde storting op of rond 2 januari 2013 (zie nader hiervoor onder 2.8 (ii)). Anders dan subonderdeel 2.2 betoogt, staat derhalve niet vast dat een deel van het bedrag van € 34.000,- door de man is terugbetaald.
de bestedingvan dit bedrag aan contanten onvoldoende (gemotiveerd) geacht. Van het onbesproken laten van essentiële stellingen is geen sprake.
verklaringvoor de overboekingen aan de zonen van partijen in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende moet worden geacht. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de in hoger beroep overgelegde bankafschriften (prod. 17, 19 en 20 bij het beroepschrift) - die volgens de man zien op de lening bij de meerderjarige zoon - geen enkele omschrijving bevatten waaruit kan worden afgeleid dat het om de aflossing van een lening gaat, dan wel het terugstorten van te veel ontvangen gelden door de meerderjarige zoon, zoals door de man is gesteld. Hieruit volgt dat het hof, evenals de rechtbank, [40] van oordeel is dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist de stelling van de vrouw dat de gemeenschap van goederen is benadeeld als bedoeld in art. 1:164 BW Pro voor onder meer bedragen van € 55.162,- en € 14.000,- die door de man zijn overgeboekt aan de meerderjarige zoon respectievelijk de minderjarige zoon. Uit het oordeel van het hof volgt dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft aangetoond dat er sprake is van de door hem gestelde (terugbetaling van) leningen, dan wel het terugstorten van te veel ontvangen gelden door de meerderjarige zoon. Naar het oordeel van het hof heeft de man deze stellingen, gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw en het ontbreken van omschrijvingen op de overgelegde bankafschriften waaruit kan worden afgeleid dat de stellingen van de man juist zijn, niet of onvoldoende gemotiveerd.
op een andere grondslagvoor de overboekingen duidt dan door de man wordt voorgewend. [42] Hieruit volgt dat de vrouw heeft betwist dat de overboekingen verband houden met de door de man gestelde (terugbetaling van) leningen, dan wel het terugstorten van te veel ontvangen gelden door de meerderjarige zoon (teveel ontvangen aflossing van de door de man gestelde geldlening), hetgeen overigens ook reeds besloten ligt in de in hoger beroep gehandhaafde stelling van de vrouw dat de overboekingen aan de zonen van partijen een benadeling van de gemeenschap opleveren als bedoeld in art. 1:164 BW Pro.
nietvast dat het hier dus gaat om een gedeelte van het bedrag van € 55.162,- dat eerder door de man aan de meerderjarige zoon is overgeboekt en nadien is “teruggekeerd” in het vermogen van de gemeenschap (voor de peildatum) en om die reden niet als benadeling (verspilling) heeft te gelden.
terugstorten
of teruggeven van teveel door de meerderjarige zoon ontvangen gelden (zoals de man heeft gesteld). Van de door het middel gestelde “terugkeer” is geen sprake indien het storten en/of het aan de man geven door de meerderjarige zoon geen betrekking heeft op de door de man gestelde terugbetaling aan teveel ontvangen gelden door de meerderjarige zoon, maar de gelden om een andere reden door de meerderjarige zoon zijn gestort en/of gegeven.
nietdat de man in feitelijke instantie heeft gesteld dat hij een bedrag van € 20.700,-,
waarvan € 20.000,- door de meerderjarige zoon contant zou zijn opgenomen en aan de man zou zijn (terug)gegeven, op 2 januari 2013 heeft teruggestort. Subonderdeel 3.1 verwijst naar het door de man gestelde
“bij appelschrift”zonder een (meer) specifieke vindplaats te noemen. Voorts wordt - via nr. 2.1.2 sub c van het verzoekschrift tot cassatie – verwezen naar het beroepschrift van de man p. 20 tweede woordblok. Ook daar is echter de stelling van de man
“dat hij op 2 januari 2013 € 20.700,= heeft teruggestort”niet terug te vinden.
nietdat het geld van deze (gestelde) storting afkomstig is van de meerderjarige zoon.
herkomstvan het geld van de door de man gestelde storting op of rond 2 januari 2013.
het terugstorten van te veel ontvangen gelden door de meerderjarige zoonbetrokken. Dit volgt uit het laatste deel van de tweede volzin van rov. 48 (“… dan wel het terugstorten van te veel ontvangen gelden door de meerderjarige zoon, zoals door de man is gesteld.”). Zie ook de verwijzing naar prod. 19 (die betrekking heeft op het door de man gestelde storten van € 6.000,- door de meerderjarige zoon) en prod. 20 (die betrekking heeft op de door de man gestelde contante opname van € 20.000,- door de meerderjarige zoon). Het hof
verwerptechter de stelling van de man dat het hier gaat om het terugbetalen door de meerderjarige zoon aan de man van teveel ontvangen gelden (aan aflossing van de door de man gestelde geldlening). Niet omdat de door de man gestelde geldstromen tussen hem en de meerderjarige zoon niet zijn komen vast te staan, maar omdat het hof van oordeel is dat de man zijn
verklaringvoor deze geldstromen (de door de man gestelde lening bij de zonen van partijen, de aflossing daarvan door de man en daarmee samenhangend het terugbetalen door de meerderjarige zoon aan de man van teveel ontvangen gelden aan aflossing) niet of onvoldoende heeft gemotiveerd (“onvoldoende acht”). Het hof komt tot dit oordeel in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat op de door de man overgelegde bankafschriften omschrijvingen ontbreken waaruit kan worden afgeleid dat de stellingen van de man juist zijn. Van de door het middel gestelde “terugkeer” van een bedrag van € 26.700,- (voor de peildatum) is, zo volgt uit het oordeel van het hof, geen sprake.
bewezendat er sprake is van een onverplichte handeling. In het licht van de stellingen van de man [45] en de vrouw [46] getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof in rov. 48 – ten aanzien van de door de man ten behoeve van de zonen van partijen opgenomen gelden (waarvan de man stelt dat het de terugbetaling van leningen betreft) – overweegt dat de gegeven verklaring van de man onvoldoende wordt geacht. Het hof heeft miskend dat de bewijslast niet op de man maar op de vrouw rustte. Voorts is het hof uitgegaan van een onjuiste, want te lichte maatstaf voor het aannemen van verspilling. Indien er nog een schuld aan de kinderen openstond is er geen sprake van een onverplichte rechtshandeling. Het middel betoogt dat de vrouw gelet op de betwisting door de man, onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een onverplichte handeling. Het hof kon en mocht ter zake daarom geen verspilling aannemen, althans het hof had zijn oordeel nader moeten motiveren.
De manbevestigt desgevraagd dat er twee auto zijn van in totaal € 46.700,-. De auto van de man is € 18.700,-, zodat de conclusie is dat de auto van [kind 2] € 28.000,- heeft gekost. Dat was volgens de man afgesproken.
subonderdelen 3.4, 3.5 en 3.6berusten alle op de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat er ten aanzien van de (door de man gestelde) betaling van een belastingaanslag en diverse kosten sprake is van een benadeling van de gemeenschap in de zin van art. 1:164 BW Pro.
desalnietteminsprake is van verspilling. Daarnaast heeft het hof miskend dat het moet gaan om onverplichte rechtshandelingen, hetgeen, gezien de betwisting door de man, door de vrouw moet worden gesteld en bewezen. Het hof heeft hetzij dit alles miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
die door de man als betwisting zijn gesteld voor de stelling van de vrouw dat er – ten aanzien van het door de man opgenomen bedrag van € 34.000,- aan contanten bij pinautomaten in casino’s – sprake is van benadeling van de gemeenschap, maar het hof heeft deze stellingen van de man ten aanzien van
de bestedingvan het door de man opgenomen bedrag van € 34.000,- onvoldoende (gemotiveerd) geacht en derhalve geoordeeld dat
de contante opname van € 34.000,-heeft te gelden als verspilling (zie subonderdeel 2.2). Het hof heeft echter
nietgeoordeeld er ten aanzien van de (door de man gestelde) betaling van de belastingaanslag en overige kosten sprake is van een benadeling van de gemeenschap in de zin van art. 1:164 BW Pro.
“terugbetalingen”van € 20.700,- en € 6.000,- als omschreven in het beroepschrift van de man. [51]
“terugbetalingen”(door de meerderjarige zoon) van € 20.700,- en € 6.000,- besproken, maar de door de man aan deze betalingen verbonden conclusies verworpen. Zie de subonderdelen 2.3 en 3.1.
herkomstvan het geld van de door de man gestelde storting op of rond 2 januari 2013. Dit geld zou afkomstig zijn van, kort gezegd, de contante opnames in casino’s (zie subonderdeel 2.2), de kluis (zie subonderdeel 1.2) dan wel de meerderjarige zoon (zie subonderdeel 3.1).
nietdat de man ter zitting heeft gesteld dat het litigieuze stuk bewijs oplevert van zijn stellingen ten aanzien van de lening van de zonen van partijen (de door de man geven
verklaringvoor de onderhavige geldstromen). De klacht faalt derhalve bij gebrek aan belang. Ik merk daarbij nogmaals op dat het hof de stellingen van de man ter zake het terugbetalen door de meerderjarige zoon aan teveel ontvangen gelden in zijn oordeel heeft betrokken. Het hof
verwerptechter de stelling van de man dat het hier gaat om het terugbetalen door de meerderjarige zoon van teveel ontvangen gelden (aan aflossing van de door de man gestelde geldlening). Niet omdat de door de man gestelde geldstromen tussen hem en de meerderjarige zoon niet zijn komen vast te staan, maar omdat het hof van oordeel is dat de man zijn
verklaringvoor deze geldstromen (de door de man gestelde lening bij de zonen van partijen, de aflossing daarvan door de man en daarmee samenhangend het terugbetalen door de meerderjarige zoon aan de man van teveel ontvangen gelden aan aflossing) niet of onvoldoende heeft gemotiveerd. Zie subonderdeel 3.1.