Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
achterafvan een reeds gedane meningsuiting is op zich in overeenstemming met de clausule ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’.
chilling effectop de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Ik denk daarbij aan een in de publiciteit gebrachte aankondiging van een onderzoek van overheidswege naar een incident of aan ‘
naming and shaming’die tot omzetderving leidt e.d. Daarover gaat het cassatiemiddel niet. Het hof wijst, terecht, erop dat eiser een op de vrijheid van meningsuiting gebaseerd verweer naar voren kan brengen in de procedure bij de tuchtrechter. Dat geldt uiteraard ook voor het verweer dat de gedragsnorm in art. 46 Adv Pro.w. niet voldoet aan het legaliteitsvereiste. Bij de bespreking van middelonderdeel III kom ik hierop nog terug. De klachten onder I.b en I.c stuiten op het voorgaande af.
statutory law'kan de vereiste grondslag voor een inmenging ook worden gevonden in bestendige
‘case law', mits deze gepubliceerd is en daarmee toegankelijk is voor de burger, zodat deze zijn gedragingen op die norm kan afstemmen [14] . Het EHRM stelt wel kwaliteitseisen aan de toegankelijkheid, de precisie en de consistentie van de nationale rechtsregel:
"it refers to the quality of the law in question, requiring that it should be accessible to the person concerned, who must moreover be able to foresee its consequences for him, and that it is compatible with the rule of law" [15] . Op basis van de op het internet gepubliceerde jurisprudentie van de tuchtrechters voor advocaten is de invulling van de gedragsnorm in art. 46 Adv Pro.w. voor een ieder te kennen. De slotsom is dat onderdeel I faalt.
achterafniet ter verantwoording kan worden geroepen zonder dat een derde op de voet van art. 46c Adv.w. een klacht bij de deken heeft ingediend, falen deze middelen. Art. 7 Grondwet Pro (‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’) laat in beginsel toe dat het wettelijk daartoe bevoegde orgaan (in strafzaken: het openbaar ministerie; in tuchtrechtelijke zaken: de deken) een vooronderzoek instelt en, indien daartoe gronden zijn, een zaak aan de bevoegde rechter voorlegt naar aanleiding van de wijze waarop een persoon gebruik heeft gemaakt van zijn vrijheid van meningsuiting. Van een inmenging
voorafin de vrijheid van meningsuiting (‘censuur’) is in dit geval geen sprake. Ook in art. 10 EVRM Pro wordt de vrijheid van meningsuiting niet als een absoluut recht opgevat. Eerst moet worden onderzocht of sprake is van een inmenging. Zo ja, dan wordt aan de hand van het tweede lid van art. 10 EVRM Pro onderzocht of deze inmenging in het concrete geval verdragsrechtelijk wel of niet toelaatbaar is. Voor het overige moge ik verwijzen naar hetgeen bij de bespreking van middel I is opgemerkt.
interference) als bedoeld in art. 10 lid 1 EVRM Pro is sprake bijvoorbeeld wanneer het openbaar gezag ter zake van een
bepaaldemeningsuiting dan wel om een persoon geheel de mond te snoeren, een verbod oplegt of op basis van een bestaande verbodsnorm een sanctie oplegt of een dwangmiddel toepast (bijv. de inbeslagneming van pamfletten) of de meningsuiting feitelijk onmogelijk maakt (bijv. het doen sluiten van een radiozender). De jurisprudentie biedt een groot aantal voorbeelden van wijzen waarop van overheidswege een inmenging kan plaatsvinden. De aankondiging door een bestuursorgaan dat met toezicht op advocaten is belast dat (tuchtrechtelijk) onderzoek wordt ingesteld naar een bepaalde meningsuiting of dat aan de bevoegde rechter het oordeel zal worden gevraagd omtrent de (on)toelaatbaarheid van een bepaalde meningsuiting, is
op zichzelfniet voldoende om te spreken van een inmenging in de uitoefening van het recht van meningsuiting. Pas op het moment dat daadwerkelijk wordt ingegrepen – in de vorm van een definitieve of voorlopige maatregel of door feitelijk handelen dat de meningsuiting belemmert (zie de voorbeelden hierboven) – is sprake van inmenging. In de rechtspraak wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat een bepaalde wijze van handhaving een zodanig afschrikkende werking heeft dat van de uitoefening van het grondrecht, hoewel mogelijk, in wezen weinig of niets terecht komt omdat de betrokken burgers zich niet vrij voelen van het desbetreffende grondrecht gebruik te maken, ook niet in gevallen waarin dat gebruik rechtmatig zou zijn. Dit verschijnsel pleegt te worden aangeduid als een mogelijk
chilling effect [20] . Het verschijnsel heeft te maken met een risico-inschatting door de burgers die het aangaat: hun inschatting omvat de kans dat hen een bepaald nadeel zal worden toegebracht (bijv. de kans dat zij een zware straf opgelegd krijgen of de kans dat zij hoge proceskosten zullen moeten dragen) alsook een inschatting van de omvang van het nadeel dat zij dan zullen lijden. Bij een hoog risico zal de burger sneller geneigd zijn af te zien van de uitoefening van zijn recht, zelfs in gevallen waarin de uitoefening rechtmatig is of waarin redelijkerwijs kan worden getwijfeld over het juiste antwoord op de vraag of die meningsuiting rechtens toelaatbaar dan wel ontoelaatbaar moet worden geacht. Over een dergelijk
chilling effectis in deze zaak niets gesteld.
"de bij de wet aan de tuchtrechter opgedragen taak tot het houden van toezicht",zonder daarbij te letten op het onderscheid tussen enerzijds een
ambtshalveingreep van de deken in de meningsuiting van een advocaat en anderzijds de beoordeling van een klacht van een burger of privaatrechtelijke rechtspersoon naar aanleiding van een (die persoon betreffende) meningsuiting van een advocaat;