Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 12 april 2016
[appellant],
DE ORDE VAN ADVOCATEN IN HET ARRONDISSEMENT DEN HAAG,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerste, tweede, derde, vierde en zesde griefzijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter inzake de vrijheid van meningsuiting. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter, door zich in beginsel gebonden te achten aan het arrest in kort geding van dit hof van 6 januari 2015, geen recht heeft gesproken volgens de wet. Hij wijst erop dat in het eerdere geding sprake was van een klacht van de president van de rechtbank Oost-Brabant en dat bij het nu ingediende dekenbezwaar de Deken zonder externe klacht meningsuitingen van hem aan de Raad van Discipline heeft voorgelegd. [appellant] brengt voorts naar voren dat het inzicht in de aspecten die van belang zijn voor de beoordeling van de rechtsvragen die aan de orde zijn en de juridische waardering daarvan geen statisch gegeven zijn. [appellant] keert zich voorts tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het opnieuw instellen van een rechtsvordering op dezelfde gronden misbruik van procesrecht kan opleveren. Hij stelt dat iedere nieuwe onrechtmatige daad van de Deken aanleiding kan zijn om de rechtsbescherming van de rechter in te roepen. [appellant] keert zich bovendien tegen de weigering van de voorzieningenrechter om vooruit te lopen op het oordeel van de Hoge Raad in de reeds aanhangige cassatieprocedure, nu het om een andere zaak gaat. Hij bestempelt de weigering van de voorzieningenrechter als rechtsweigering in de zin van artikel 13 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 28). Ten slotte klaagt [appellant] over het standpunt van de voorzieningenrechter dat de Deken bevoegd zou zijn om op grond van artikel 46f van de Advocatenwet een dekenbezwaar in te dienen ter zake van de meningsuiting. Daartoe had de voorzieningenrechter volgens de Staat eerst moeten vaststellen dat de Deken als bestuursorgaan bevoegd is zich te bemoeien met meningsuitingen van advocaten. De
vijfde griefvalt het oordeel van de voorzieningenrechter aan, dat [appellant] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen omtrent het huisrecht. [appellant] voert aan dat de schending van zijn huisrecht nog steeds gaande is, aangezien de Deken nog steeds streeft naar zijn tuchtrechtelijke bestraffing wegens zijn weigering de Deken tot zijn woning toe te laten.