Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Verzekerde zaakNieuwbouw, verbouw, renovatie en onderhoud van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam te Rotterdam, inclusief alle bijkomende werkzaamheden, niets uitgezonderd, waaronder sloopwerkzaamheden.
5.2 Verzekeringstermijn per werk
Artikel 7. Garantie
primairde hoofdelijke veroordeling van Amlin c.s. tot betaling van € 1.416.434,70, althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag, elk voor een percentage waarvoor zij hebben getekend, vermeerderd met de wettelijke rente en
subsidiairde veroordeling van Amlin c.s. elk tot betaling van het bedrag van het percentage waarvoor zij hebben getekend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen rechtsoverweging 3.11 van het hof. Uit rechtsoverweging 3.10 volgt dat dit een overweging betreft naar aanleiding van grief II in het principaal beroep en dat deze grief zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat een onderhoudstermijn uitsluitend is verzekerd indien deze is overeengekomen tussen EMC en hoofdaannemer Takenaka. Volgens de toelichting op de grief is ook relevant of een onderhoudstermijn is overeengekomen in het bestek tussen Takenaka en onderaannemer Wolter & Dros, aldus nog steeds het hof in rechtsoverweging 3.10.
EMCde schade onder zowel de gebouwenverzekering als de CAR-verzekering had verzekerd. Het middel probeert dat vergeefs onder het vloerkleed te vegen met de formulering dat ‘hetzelfde belang’ zowel onder de gebouwenverzekering als onder de CAR-verzekering was verzekerd en de bewering dat aldus de samenloop ‘onmiskenbaar’ is. Wat écht onmiskenbaar is, is dat het verzekerde belang van EMC als eigenaar van de gebouwen en het verzekerde belang van Takenaka en/of Wolter & Dros voor hun aansprakelijkheid als (onder)aannemer
niethetzelfde belang is. Ik citeer Wansink en Van Tiggele: [7]
algemeneonderscheid dat in het bouwrecht wordt gemaakt tussen een onderhouds- en een garantietermijn, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft ook de door Chubb c.s. gestelde feiten onderzocht en te licht bevonden. Dat heeft het hof weliswaar summier gemotiveerd, maar in het licht van de hiervoor bedoelde bewijslastverdeling niet té summier. Essentiële stellingen waarop het hof niet zou hebben gerespondeerd, worden door het onderdeel niet aangeduid.
Een jaar na de oplevering vond er een inspectie plaats, en binnen dat jaar doe je alles wat nodig is, zoals het afronden van openstaande punten.Na dat jaar herstel je de zaken die vallen onder de garantie, dit was ons standaard proces.
Het is niet goed voorstelbaar dat er niet een onderhoudsverplichting zou zijn. Wij spraken niet als zodanig over een onderhoudstermijn, binnen dat jaar viel alles gewoon onder de garantie.Maar onze verantwoording ging nog verder dan dat, door de inspectie na dat jaar en de daar uitvloeiende herstel van zaken indien nodig. In de overeenkomst tussen Takenaka en onderaannemers werd onderhoud opgenomen. Takenaka nam altijd onderaannemers in de arm (zogenoemde Back to Back constructie), Takenaka voerde de werkzaamheden niet zelf uit. In de hoofdovereenkomst is dit onderhoud wellicht niet expliciet opgenomen, maar zoals ik het proces zojuist beschreef zo voerden wij het uit. Of gedurende een jaar na oplevering ook onderhoud door ons werd uitgevoerd weet ik niet zeker, [betrokkene 1] moet dit wel weten.
U vraagt mij of Takenaka dezelfde onderhoudsverplichting jegens haar opdrachtgever EMC had als de verplichting tot onderhoud zoals is overeengekomen in de onderaannemingsovereenkomst. Dat is het geval.
De verplichting uit de onderhoudstermijn werd door Takenaka uitgevoerd. Ik weet niet of Takenaka in het kader van het project ‘Bio Informatica’ werkzaamheden heeft uitgevoerd voortvloeiende uit een onderhoudstermijn. Ik was toen namelijk al gestationeerd bij een ander project. Voor wat betreft andere projecten, die wij voor EMC uitvoerden gold dat wij als daar aanspraak op werd gemaakt, wel de werkzaamheden uitvoerden die vallen onder een onderhoudstermijn.(…)’
Takenaka is namelijk geen gewone aannemer in de zin dat zij zelf ook werkzaamheden uitvoert. Zij huurt voor alle werkzaamheden derden in. Na oplevering had Takenaka de verplichting om de problemen die dan ontstaan op te lossen. Dit heeft Takenaka ook altijd gedaan, zij is heel service gericht. Uit mijn hoofd zeg ik dat Takenaka de verplichtingen die Wolters en Dros jegens Takenaka had ook jegens EMC had. (….)
Als er problemen waren na de oplevering dan loste Takenaka dat direct op. Takenaka was continu aanwezig op de bouwplaats. Zodat we bij problemen direct konden oplossen. (…)’
algemeneonderscheid tussen een onderhoudstermijn en een garantietermijn, en niet op de vraag of
in dit gevalEMC en Takenaka de garantietermijn tevens als een onderhoudstermijn hebben beschouwd. De bedoelde uitlating volgt immers vrijwel onmiddellijk op een passage die evident wél ziet op wat tussen Takenaka en EMC was overeengekomen (volgens de getuige niet ook onderhoud, omdat EMC daarvoor rechtstreeks zaken deed met de ‘betreffende onderhoudsbedrijven’). Dat het hof van Chubb c.s. een nadere toelichting op hun beroep op de verklaring van [betrokkene 1] verlangde, is in dit licht niet onbegrijpelijk.