ECLI:NL:PHR:2017:256
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van verklaringen van medeverdachten in eigen zaak als bewijs in strafzaak
In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch verdachte veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen van een misdrijf onder de Opiumwet. Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte verklaringen van medeverdachten, die in hun eigen strafzaken waren afgelegd, als bewijs heeft gebruikt zonder dat deze verklaringen ter terechtzitting zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud is meegedeeld, in strijd met artikel 301 lid 4 Sv Pro.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel het hof deze verklaringen heeft gebruikt zonder ze ter terechtzitting te hebben voorgelezen, verdachte geen rechtens te respecteren belang had bij deze klacht. Dit omdat de zaken gelijktijdig maar niet gevoegd zijn behandeld, de verdediging op de hoogte was van de verklaringen en de mogelijkheid had om medeverdachten als getuigen te horen. Bovendien was verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad omdat hij de verklaringen heeft kunnen weerleggen.
Daarnaast is geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase een verlaging van de opgelegde straf rechtvaardigt. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt ertoe de straf te verminderen en het beroep voor het overige te verwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.