Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Gelderland verklaarde het klaagschrift van klager niet-ontvankelijk, omdat klager niet als rechthebbende van de inbeslaggenomen auto werd beschouwd en de wet geen teruggave aan een ander dan de rechthebbende kent. Klager stelde dat hij de auto van zijn broer had geleend en verzocht om teruggave aan hem.
De officier van justitie vond het klaagschrift gegrond omdat de auto van de broer was en geen strafvorderlijk belang meer bestond bij het beslag. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onjuiste maatstaven toepaste door te veronderstellen dat klager teruggave aan zijn broer verzocht, terwijl klager teruggave aan zichzelf vroeg.
De Hoge Raad benadrukt dat bij beslag op een voorwerp onder de klager, de teruggave aan die beslagene moet worden gelast tenzij een ander als rechthebbende moet worden beschouwd. De beslissing van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling volgens de juiste maatstaf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.