ECLI:NL:PHR:2017:251

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
11 april 2017
Zaaknummer
16/01912
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 94a SvArt. 116 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klaagschrift teruggave inbeslaggenomen auto aan lener

De rechtbank Gelderland verklaarde het klaagschrift van klager niet-ontvankelijk, omdat klager niet als rechthebbende van de inbeslaggenomen auto werd beschouwd en de wet geen teruggave aan een ander dan de rechthebbende kent. Klager stelde dat hij de auto van zijn broer had geleend en verzocht om teruggave aan hem.

De officier van justitie vond het klaagschrift gegrond omdat de auto van de broer was en geen strafvorderlijk belang meer bestond bij het beslag. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onjuiste maatstaven toepaste door te veronderstellen dat klager teruggave aan zijn broer verzocht, terwijl klager teruggave aan zichzelf vroeg.

De Hoge Raad benadrukt dat bij beslag op een voorwerp onder de klager, de teruggave aan die beslagene moet worden gelast tenzij een ander als rechthebbende moet worden beschouwd. De beslissing van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling volgens de juiste maatstaf.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.

Conclusie

Nr. 16/01912 B
Zitting: 28 februari 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[klager]
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft de klager bij beschikking van 10 maart 2016 niet-ontvankelijk verklaard in zijn op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middel
3.1. Het middel klaagt dat de rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag op een onder hem in beslag genomen auto en teruggave van die auto aan hem.
3.2. De bestreden beschikking houdt in:
“Het beklag
In het klaagschrift heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de auto niet door een strafbaar feit is onttrokken aan enig rechthebbende. Klager heeft geen afstand van de auto gedaan. De auto dient ook niet te worden veiliggesteld ten behoeve van een voordeelsontneming. De auto is van de broer van klager. Deze had zijn auto uitgeleend aan klager.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond verklaard dient te worden. De inbeslaggenomen auto is van de broer van klager en er is geen strafvorderlijk belang meer bij inbeslagneming.
De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Klager heeft gesteld dat hij de inbeslaggenomen auto van zijn broer had geleend. De wet kent echter niet de mogelijkheid tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan aan degene die een klaagschrift tot teruggave heeft ingediend. Derhalve had niet klager, maar zijn broer een klaagschrift moeten indienen. Gelet hierop is de raadkamer van oordeel dat klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift dient te worden verklaard.”
3.3. In het midden kan blijven of het beslag op de voet van art. 94 of Pro 94a Sv is gelegd, nu volgens het openbaar ministerie geen belang van strafvordering aanwezig is dat zich tegen teruggave van de auto verzet en, ingevolge art. 116 lid 1 Sv Pro, voor beide beslaggronden geldt dat het openbaar ministerie een inbeslaggenomen voorwerp doet teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Is het de beslagene die bij klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp verzoekt, dan dient de rechtbank in een dergelijk geval de teruggave te gelasten aan die beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. De vraag of de klager redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het voorwerp moet worden beschouwd komt niet aan de orde in geval onder de klager beslag is gelegd. [1]
3.4. Wellicht berust de beslissing van de rechtbank op de onjuiste veronderstelling dat de klager in zijn klaagschrift de teruggave van de auto aan zijn broer verzoekt. Waarom klagers broer dan niet op de voet van art. 552a lid 5 Sv op zijn minst als belanghebbende is opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift (althans blijkt dit niet uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden) wordt mij niet duidelijk.
3.5. Wat daar ook van zij, duidelijk is dat de rechtbank niet de aan te leggen maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van klagers klaagschrift, waarin hij teruggave aan hem verzoekt van de onder hem in beslag genomen auto die zijn broer aan hem heeft geleend. Het middel slaagt.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 en HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1624, NJ 2011/125.