Conclusie
eerste en tweede middelklagen over de motivering van de bewezenverklaring.
eerste middelkomt blijkens de toelichting op tegen het oordeel van het hof dat aan de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] geen waarde moet worden gehecht nu deze beide getuigen zich niet alles kunnen herinneren en ook niet zeker weten of hetgeen ze verklaren betrekking heeft op de nacht van het tenlastegelegde feit.
tweede middelklaagt er terecht over dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van letsel bij [slachtoffer 1] . De bewezenverklaring valt immers bezwaarlijk anders te lezen dan dat ook [slachtoffer 1] letsel is toegebracht. Ik bepleit (opnieuw [3] , maar met toevoeging van op deze zaak toegesneden argumenten) dat dit niet tot cassatie behoeft te leiden. Dat [slachtoffer 1] geen letsel heeft bekomen maakt voor de ernst en aard van het bewezenverklaarde en voor de kwalificatie geen verschil. Er is sprake van meermalen gepleegde mishandeling en bij een van beide gevallen is zowel sprake van pijn als van letsel en bij het andere alleen van pijn. Betekenis komt toe aan de omstandigheid dat een mildere afdoening dan toepassing van art. 9a Sr na verwijzing niet mogelijk is. Naar aan te nemen valt, is er voor verdachte geen belang bij (alsnog) strafoplegging (na verwijzing door de Hoge Raad).
derde middelklaagt op goede grond dat de inzendtermijn is geschonden. Op 21 april 2015 is naar aanleiding van het arrest van het hof van 14 april 2015 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 mei 2016 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, als gevolg waarvan de inzendtermijn van 8 maanden is overschreden. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard doch met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden.