Conclusie
middelklaagt ten eerste dat het hof in strijd met de zogenoemde Geerings-uitspraak van het EHRM [1] de voordeelsontneming heeft gebaseerd op een deel van het onder 1 tenlastegelegde waarvan de betrokkene (partieel) is vrijgesproken. Daarnaast keert het middel zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel volledig aan de betrokkene kan worden toegerekend.
Grondslag ontnemingsvordering
(...) Uit hetgeen hierna in het kader van het bewijs naar voren zal worden gebracht, kan worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk een grote hoeveelheid hennep op zijn perceel aanwezig heeft gehad, onder meer een grote hoeveelheid hennepplanten in een ondergrondse kwekerij, waarbij hij opdrachtgever was voor belangrijke werkzaamheden ten behoeve van de bouw van die kwekerij. Dat het de verdachte alleen is geweest, zoals is ten laste gelegd, die de hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, kan niet worden bewezen. Het bewijs schiet immers tekort om te kunnen vaststellen dat de verdachte ook zelf voor de teelt, bereiding, bewerking en/of verwerking noodzakelijke uitvoeringshandelingen heeft verricht. Een andere deelnemingsvorm is niet ten laste gelegd, zodat het hof daarover in deze strafzaak niet heeft te oordelen. Dat heeft tot het gevolg dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde partieel zal worden vrijgesproken.”
Vaststelling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
NJ2008/497 overwogen:
daaromniet in de weg aan het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel dat is genoten uit “een ander strafbaar feit” dan het bewezenverklaarde (bedoeld zal zijn: een soortgelijk feit), zolang daaromtrent tenminste voldoende aanwijzingen bestaan. Daarmee heeft het hof alsnog de schuld van de betrokkene (mede) aangenomen aan een tenlastegelegd strafbaar feit voor het gedeelte waarvan hij partieel is vrijgesproken. [5] Dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.