Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
omvangvan hetgeen hij in aanvulling op de overeengekomen aannemingssom zal dienen te voldoen. [8] Art. 7:755 BW Pro geldt zowel voor professionele opdrachtgevers als voor consumenten. Het ligt voor de hand dat indien de opdrachtgever een consument is, aan het handelen van de aannemer hogere eisen behoren te worden gesteld dan in andere gevallen. [9]
aanvullendevergoeding ontzegd. Anders gezegd, waar de handelaar respectievelijk de aannemer onvoldoende transparant hebben gecommuniceerd, moet ervan worden uitgegaan dat een vergoeding voor de aanvullend verrichte prestatie, reeds begrepen is in de overeengekomen prijs voor de kernprestatie, respectievelijk in de overeengekomen vaste prijs.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen de rechtsoverwegingen 8.8.2, 8.8.3, 8.10.3, 8.10.6 en 8.10.7 van het arrest van het hof. De klachten van het onderdeel komen erop neer dat het hof art. 24 Rv Pro en art. 149 Rv Pro heeft geschonden door aan zijn beslissing mede ten grondslag te leggen de inhoud van de beslissing op bezwaar van de Nederlandse Zorgautoriteit van 24 juni 2013 (door het hof aangehaald in rechtsoverweging 8.6.4), ook voor zover daarop door partijen geen beroep was gedaan.
rechtsopvattingwaarvan het bij de beoordeling van het geschil is uitgaan – kort gezegd, dat het aanbieden van aanvullende zorg op transparante wijze dient plaats te vinden en dat zulke zorg slechts op vrijwillige basis kan worden overeengekomen, en dat dit gevolgen heeft voor de vereiste bepaalbaarheid en de wijze van totstandkoming van een zodanige overeenkomst – mede aansluiting heeft gezocht bij de bij gelegenheid van het schriftelijk pleidooi door Vitalis overgelegde beslissing van de NZa. Dat heeft niets met art. 24 Rv Pro of art. 149 Rv Pro van doen. Die bepalingen hebben uitsluitend betrekking op de
feitenen de
feitelijke grondslagvan de vordering of het verweer waarvan de rechter bij zijn beslissing dient uit te gaan.
tweede onderdeelricht zich tegen de rechtsoverwegingen 8.10.1 tot en met 8.10.7 van het arrest van het hof.
enige(vorm van) overeenkomst is gesteld, dat oordeel rechtens onjuist is, of onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat Vitalis in de memorie van antwoord onder 6.7 tot en met 6.9 en op pagina 9 en 10 heeft gesteld dat er sprake is van een mondelinge overeenkomst.
schriftelijkeovereenkomst had beroepen.
ten overvloede(‘Daar komt bij…’) aan toegevoegd dat [verweerder] meermalen tegen de facturen bezwaar heeft gemaakt en daarvan specificatie heeft verzocht.
in rechtehadden ingenomen. Ook zo gelezen kan deze motiveringsklacht geen doel treffen, omdat uit de bedoelde plaats uitsluitend blijkt dat Vitalis zich heeft beroepen op de erkenning die besloten lag in hetgeen [verweerder] tijdens een bijeenkomst bij de NZa op 22 januari 2014 zou hebben gezegd. Bij de beoordeling van die stelling mocht het hof zich daarom beperken tot de vraag of [verweerder] dat toen inderdaad heeft gezegd.
derde onderdeelricht zich, evenals het tweede, tegen de rechtsoverwegingen 8.10.1 tot en met 8.10.7 van het arrest van het hof. Vitalis betoogt dat het hof in de desbetreffende rechtsoverwegingen uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting ter zake van art. 6:217 BW Pro en art. 6:227 BW Pro, althans dat het hof een onvoldoende inzichtelijk dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het derde onderdeel bestaat uit drie subonderdelen, die zijn genummerd met 2.2.3-I, 2.2.3-II en 2.2.3-III.
geenovereenstemming.’
-uren per ZZP-klasse vaststelt. Aan de hand daarvan is eenvoudig vast te stellen dat de uren boven die norm kwalificeren als aanvullende zorg, zoals Vitalis ook inzichtelijk heeft gemaakt.
subonderdeel 2.2.5-IIklaagt Vitalis dat het hof ten onrechte haar bewijsaanbiedingen in de dagvaarding onder 10.1 en 10.2, de akte van 11 september 2013 onder 6.1, de memorie van antwoord onder 6.10, 6.11 en op de pagina’s 11 en 16 en haar antwoordakte van 26 april 2016 onbesproken heeft gelaten. Aldaar heeft Vitalis aangeboden te bewijzen dat [betrokkene 1] dagelijks extra zorg aangeboden kreeg die niet onder de AWBZ viel en de juistheid van de financiële verantwoording van de extra zorg. Het oordeel van het hof is gelet hierop en mede in het licht van het arrest HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, rechtens onjuist, niet inzichtelijk of onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.2.5-IIIbetoogt Vitalis dat het in het licht van art. 149 Rv Pro rechtens onjuist is dat het hof in rechtsoverweging 8.10.6 van het arrest heeft geoordeeld dat niet vastgesteld kan worden wat onder de AWBZ valt en wat als extra zorg moet worden aangemerkt, althans is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof dit zonder bewijslevering kon oordelen. Vitalis wijst er in dit kader op haar in de akte van 11 september 2013 en de memorie van antwoord sub 6.10 betrokken stellingen dat aan de hand van de urennorm kan worden berekend welke uren per dag door de AWBZ worden vergoed en welke uren als extra zijn ingehuurd. Het hof heeft bovendien volgens Vitalis miskend dat de AWBZ geen urenregistratie vereist en uitgaat van gemiddelden bij de berekening van de kosten, zodat de door het hof gestelde eisen aan de berekening van de kosten niet kunnen worden gesteld. Ook heeft het hof miskend dat de door Vitalis gestelde afspraak, waarvan ook bewijs is aangeboden, binnen de AWBZ mogelijk moet zijn, zoals blijkt uit overweging 50 van de beslissing van de NZa. Nu de AWBZ geen urenregistratie vereist, moeten de kosten van extra zorg kunnen worden omgeslagen op alle bewoners, waarbij ook meespeelt dat bij het aangaan van de overeenkomst niet om een specificatie is gevraagd, aldus Vitalis.
subonderdeel 2.2.5-IVdat het oordeel van het hof in rechtsoverweging 8.10.6 onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen het zorgkantoor van CZ op 24 januari 2012 aan Vitalis heeft geschreven, inhoudende dat voor het zorgkantoor duidelijk is wat onder de AWBZ valt en wat niet, alsmede dat de bijbetalingen niet zien op door het zorgkantoor bekostigde zorg. Vitalis heeft hierop een beroep gedaan tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg en het hof had hier in het kader van de devolutieve werking van het appel op in moeten gaan. Gelet op deze stelling, de stellingen in de akte d.d. 11 september 2013 en de stellingen in de memorie van antwoord onder 6.4 en 6.10 is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd waarom volgens het hof niet achteraf vastgesteld kan worden wat onder aanvullende zorg valt en wat niet, en waarom op basis van de redelijkheid en billijkheid eventuele leemtes en onduidelijkheden ingevuld kunnen worden.