Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof bij de bewezenverklaring van feit 2 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door als pleegplaats Nederland bewezen te verklaren terwijl ten laste is gelegd dat het feit in Rotterdam is gepleegd.
tweede middelklaagt over schending van de onschuldpresumptie. De klacht komt er kort samengevat op neer dat het hof handelingen die betrekking hadden op de onderdelen van de tenlastelegging waarvan de verdachte is vrijgesproken redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring van de betrokkenheid van de verdachte bij het tweede onder feit 1 ten laste gelegde drugstransport dat in Rotterdam is binnengekomen op 22 mei 2013 en de bewezenverklaring van de onder feit 2 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen daartoe.
derde middelklaagt over het bewezenverklaarde “medeplegen”.
moment suprêmeafzijdig houdt of zorgt voor een alibi.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.