Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
“voor gevallen waarin, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag is vervallen”.Deze uitzonderingsbepaling kon geen betrekking hebben op het onderhavige overlijden, aangezien op grond van het overgangsrecht uit 1985 de tot 1 januari 1985 geldende tekst van artikel 66 Sw Pro nog van toepassing was op het onderhavige - nog niet bij de inspecteur bekende - belastbare feit’. Volgens het Hof ‘was [derhalve] “op
het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding”van de wijziging in juni 1991 navordering ter zake van dat feit nog wél mogelijk’. Hieruit volgt volgens het Hof ‘dat het onderhavige belastbare feit onder het bereik van de per 8 juni 1991 in werking getreden tekst van artikel 66 Sw Pro (in verbinding met artikel 16 Awr Pro) kwam te vallen en daarmee onder dat van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar na het tijdstip van overlijden’.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
5.Beoordeling van het middel
8 juni 1991, is gelegen in de invoering van de verlengde navorderingstermijn voor buitenlandse bestanddelen. Fase 3 gaat in per 8 juni 1991. Echter met een bepaalde uitzondering als opgenomen in het wettelijk voorziene overgangsrecht.