Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
eerste cassatiemiddelbestrijdt belanghebbende – onder verwijzing naar de arresten
Fini Hen
INZO– het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met aan de omzetbelasting onderworpen handelingen. Volgens belanghebbende bestaat een dergelijke samenhang tussen de aankoop van de gronden en de voorgenomen belaste activiteit van belanghebbende, bestaande in de realisatie en aansluitende belaste levering van nieuwbouwkoopwoningen. Met het
tweede cassatiemiddelbetoogt belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte uitsluitend heeft getoetst aan het zogenoemde ‘verdisconteringsvereiste’ bij de beoordeling van die samenhang.
Société thermale d’Eugénie-les-Bains. In de literatuur bestaat echter geen communis opinio over de uitleg van
Société thermale d’Eugénie-les-Bainsen is de vraag opgeworpen of het arrest is achterhaald door
Air France-KLM. Omdat van een
acte clairof
acte eclairémijns inziens geen sprake is, geef ik de Hoge Raad in overweging het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) om een prejudiciële beslissing te vragen.
acte clairof een
acte eclairé. Hoewel de onderhavige situatie dicht aanschuurt tegen
Fini H, durf ik niet te beweren dat de onderhavige schadevergoeding buiten redelijke twijfel rechtstreeks en onmiddellijk voortvloeit uit de gestaakte economische activiteit van belanghebbende. Het HvJ heeft zich naar mijn weten nog niet uitgelaten over de vraag of voor een situatie als de onderhavige, naast de uitzonderingen die hij al heeft geformuleerd in zijn rechtspraak, ook een uitzondering mogelijk is op de ‘hoofdregel’. Ik geef de Hoge Raad ook met betrekking deze vraag in overweging het HvJ om een prejudiciële beslissing te vragen.
3.Het geding bij de Rechtbank
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelstelt belanghebbende het volgende:
Fini H [9] dergelijke kosten worden beschouwd als rechtstreeks en onmiddellijk samenhangend met de belaste activiteiten. De voorgenomen btw-belaste activiteit wordt definitief beëindigd als gevolg van de betaling van de schadevergoeding, aldus belanghebbende. Het feit dat, anders dan in
Fini H, de voorgenomen activiteiten nimmer hebben plaatsgevonden, staat volgens belanghebbende niet aan de aftrek (CE: bedoeld zal zijn volledige aftrek) in de weg. Belanghebbende baseert zich onder meer op
INZO [10] . Uitsluiting (CE: bedoeld zal zijn beperking) van het recht op aftrek levert naar het oordeel van belanghebbende strijd op met het neutraliteitsbeginsel.
tweede cassatiemiddelvoert belanghebbende het volgende aan:
Fini Hziet op de vraag of recht op aftrek is ontstaan en niet zozeer op de omvang van dat recht.
5.Is terecht omzetbelasting in rekening gebracht over de schadevergoeding?
TC BNB 1961/54 [15] dat bij niet-nakoming van een huurovereenkomst het alsdan te betalen bedrag wordt voldaan als schadevergoeding en dat geen sprake is van een vergoeding voor een bewezen dienst. [16] De Hoge Raad heeft die lijn niet voortgezet. In
HR BNB 1983/104 [17] oordeelde de Hoge Raad dat het vrijwillig afstand doen van een overeenkomst een belaste prestatie is. De desbetreffende belanghebbende gebruikte als ondernemer twee panden. Het ene had hij met eigen geld gebouwd op aan zijn echtgenote toebehorende grond, het andere had hij in huur. In verband met de aanleg van een weg had de gemeente de panden nodig en droegen de desbetreffende eigenaren hun panden over aan de gemeente. De belanghebbende sloot met de gemeente een overeenkomst ter beëindiging van het gebruik van het ene pand en de huur van het andere en de gemeente betaalde hem een bepaald bedrag “op basis van de betreffende bepalingen van de Onteigeningswet en art. 1636a BW.” De inspecteur was van oordeel dat dit bedrag aan omzetbelasting was onderworpen en heeft de belasting nageheven. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat hij ter zake van deze transactie geen omzetbelasting verschuldigd was. De Hoge Raad oordeelde echter dat de belanghebbende binnen het kader van zijn onderneming
onverplichtaan de gemeente de door deze verlangde medewerking heeft verleend. Beide handelingen zijn aan te merken als een tegen vergoeding verrichte prestatie, niet zijnde een levering van goederen, en dus als een dienst als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Wet OB, aldus de Hoge Raad. De opgelegde naheffingsaanslag blijft in stand. Het vereiste rechtstreekse verband tussen de betaling van de vergoeding en een prestatie werd dus aanwezig geacht.
HR BNB1991/40 [18] oordeelde de Hoge Raad dat een vergoeding voor het afstaan door de betreffende belanghebbende van zijn rechten uit de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde de betaling vormt voor een prestatie. [19] Ook het akkoord gaan met het voortijdig ontbinden van een overeenkomst tegen betaling van een afkoopsom werd door het gerechtshof Arnhem in 1985 al eens geduid als een dienst waarvoor de afkoopsom de vergoeding vormt. [20]
HR BNB1991/40 oordeelde het HvJ in
Lubbock Fine [21] dat een vergoeding voor afstand van huur is vrijgesteld van omzetbelasting. Hoewel het HvJ dit niet met zoveel woorden overweegt, ligt aan dit oordeel ten grondslag dat de vergoeding de daadwerkelijke tegenprestatie is voor een individualiseerbare prestatie van de huurder. Het vereiste rechtstreekse verband is dus aanwezig. In 1971 huurde Lubbock Fine een gebouw voor 25 jaar en drie maanden. Dit gebouw werd vervolgens verkocht. In 1990 sloten de koper en Lubbock Fine een overeenkomst waarbij Lubbock Fine per 1 juni 1990 afstand deed van de huur gedurende de resterende periode en het gebouw aan de koper teruggaf. De koper betaalde Lubbock Fine daarvoor een vergoeding. Het HvJ overweegt (cursivering van mijn hand):
moet een verandering in de contractuele betrekking, zoals de contractuele beëindiging van de huur tegen vergoeding, worden geacht eveneens onder die vrijstelling te vallen.
. De door een zelfde huurovereenkomst geschapen betrekkingen mogen immers niet worden opgesplitst.
HR BNB 1999/194 [22] doet zich de spiegelbeeldige situatie voor: de huurder wilde, voordat de huur inging, van de huurovereenkomst af en betaalde aan de verhuurder een afkoopsom. Niettemin past de Hoge Raad de
Lubbock Fine-lijn op deze spiegelbeeldsituatie toe. Omdat de desbetreffende partijen hadden geopteerd voor met omzetbelasting belaste verhuur en zijn overeengekomen de huurovereenkomst te ontbinden, leidt de Hoge Raad uit
Lubbock Fineaf dat de afkoopsom op dezelfde wijze moet worden behandeld als de aanvankelijk overeengekomen prestatie.
Lubbock Fineniet had mogen toepassen in
HR BNB 1999/194, omdat de feiten in de laatste zaak geheel anders liggen dan in de zaak die heeft geleid tot
Lubbock Fine. [23] Hij somt de volgende verschillen op:
Lubbock Fineook in een spiegelbeeldsituatie geldt, rijst vervolgens de vraag of uit
Lubbock Finevolgt dat iedere wijziging in de contractuele verhouding tussen partijen op dezelfde wijze moet worden behandeld als de eerder overeengekomen (onderliggende) prestatie (of dat dit alleen geldt voor verhuur)? Van Hilten en Van Kesteren menen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. [24] Zij verwijzen in dat verband naar
Mirror Group.In dat arrest overwoog het HvJ dat de betaling van een aanmoedigingspremie aan een huurder geen vergoeding is voor een vrijgestelde verhuur van een onroerende zaak.
HR BNB 1983/104heeft ingezet, dat een 'tegen vergoeding vrijwillig afstand doen' aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen:
HR BNB 1999/194:
Société thermale d’Eugénie-les-Bainscontractueel mogelijk was de prestatie te annuleren en partijen voor dat geval reeds een annuleringsvergoeding zijn overeengekomen, terwijl in de onderhavige zaak vaststaat dat belanghebbende niet onder de overeenkomst uit kon en de schadevergoeding nadien (vanwege het niet in gestand doen van de overeenkomst) is overeengekomen. In
Société thermale d’Eugénie-les-Bainsis dus sprake van het
verplichtmeewerken aan beëindiging van de overeenkomst, terwijl de Gemeente in de onderhavige zaak
onverplichtmeewerkt. De vraag rijst of dit verschil tot een andere uitkomst moet leiden. De redactie V-N [27] meent van niet:
Société thermale d’Eugénie-les-Bainsnoopt tot een andere btw-behandeling van schadevergoedingen:
Air France-KLM en Hop!-Brit Air SAS(Air France-KLM) [29] . Kort gezegd gaat het in die zaken om de btw-heffing over vooruitbetaalde, niet-restitueerbare vergoedingen voor vliegtickets die de passagiers niet hebben gebruikt, omdat zij niet zijn komen opdagen (
no show). Het HvJ constateert dat het door de luchtvaartmaatschappijen behouden bedrag geen vergoeding vormt voor de schade die zij zouden hebben geleden doordat een passagier niet is komen opdagen, maar wel een betaling is, ook al heeft de passagier geen gebruik gemaakt van het aangeboden vervoer. De dienst moet volgens het HvJ worden geduid als het recht om gebruik te maken van de vervoersdienst, dus als de mogelijkheid om te vliegen. Het HvJ overweegt in verband daarmee onder meer als volgt (cursivering CE):
Tot op het ogenblik van het instappen geeft zij hem het recht om gebruik te maken van deze prestaties in de omstandigheden die zijn beschreven in de bij aankoop van het biljet afgesloten vervoersovereenkomst.
Bijgevolg verricht de luchtvaartmaatschappij haar prestatie zodra zij de passagier in staat stelt om van deze diensten gebruik te maken.
Air France-KLMis dat belanghebbende niet het recht heeft Overeenkomst II te ontbinden. Zij is contractueel verplicht de bouwgronden af te nemen en de overeengekomen koopsommen te betalen (zie onderdeel 2.6 en 2.7 van deze conclusie). Een verschil is echter dat het HvJ in
Air France-KLMoordeelt dat de dienst wordt verricht op het moment dat de luchtvaartmaatschappij de passagier het recht verleent zich door de lucht te laten vervoeren, terwijl de onderhavige prestatie niet is en nimmer zal worden verricht. Bij ‘no show’ vervliegt de dienst nadat er geen gebruik van is gemaakt, terwijl de prestatie in de onderhavige zaak niet is verricht, omdat voortijdig is afgesproken dat de overeenkomst niet wordt uitgevoerd. Verbruik in de zin van de omzetbelasting vindt in mijn visie, anders dan in
Air France-KLM,niet plaats.
Air France-KLMde volgende verschillen met de zaak
Société thermale d’Eugénie-les-Bains:
Société thermale d’Eugénie-les-Bainsniet is achterhaald door
Air France-KLM. De feiten in de twee zaken wijken teveel af en bij ‘omgaan’ mag verwacht worden dat het HvJ daaraan een overweging had gewijd. Ik sluit me daarbij aan.
Société thermale d’Eugénie-les-Bainsvergoedt belanghebbende het nadeel dat de Gemeente lijdt door het niet uitvoeren van de overeenkomst (zie punt 30 van het arrest). Het enige verschil met
Société thermale d’Eugénie-les-Bainsis, zoals gezegd, dat de schadeloosstelling niet al bij het sluiten van de overeenkomst is afgesproken, doch wegens het niet gestand doen van de overeenkomst. Ik zie echter niet in waarom een afspraak vooraf over die medewerking niet tot de conclusie moet leiden dat de ontvanger van de vergoeding een prestatie verricht en een afspraak achteraf wel. Omdat in beide gevallen geen sprake is van verbruik, dient mijns inziens geen onderscheid te worden gemaakt tussen onverplichte en verplichte medewerking. In beide gevallen wordt akkoord gegaan met voortijdige beëindiging van een overeenkomst. Ik meen dan ook dat de schadevergoeding die belanghebbende de Gemeente betaalt een vergoeding is voor geleden schade en daarmee een prestatie die niet aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. Ik geef echter onmiddellijk toe dat een juiste toepassing van het Unierecht niet zo evident is, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over deze uitkomst (
acte clair). Nu een vergelijkbare kwestie niet al eens aan het HvJ is voorgelegd, in de literatuur geen communis opinio bestaat over de uitleg van het arrest
Société thermale d’Eugénie-les-Bainsen in de literatuur voorts de vraag opgeworpen is of dat arrest is achterhaald door
Air France-KLM, is van een
acte eclairéevenmin sprake. Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging het HvJ een prejudiciële vraag te stellen (zie hierna in onderdeel 6.26).
6.Rechtstreekse en onmiddellijke samenhang
gebruikt voor zijn belaste handelingen. Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB bepaalt dat een ondernemer de belasting, welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, in aftrek mag brengen, voor zover de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Aldus koppelt zowel de Btw-richtlijn als de Wet OB de aftrek van voorbelasting door een belastingplichtige aan het
gebruikvan de aan hem geleverde goederen en verrichte diensten voor belaste handelingen. [33]
ofde goederen/diensten zijn gekocht door een belastingplichtige, die als zodanig handelt, en het daadwerkelijke of voorgenomen
gebruikvan de goederen/diensten (enkel) bepalend is voor de
omvangvan de voorbelasting die een belastingplichtige mag aftrekken (en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens daaropvolgende perioden). [34] In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank vastgesteld dat belanghebbende ondernemer is in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet OB. Partijen hebben dit verder niet ter discussie gesteld. Ook staat niet ter discussie dat belanghebbende de in geschil zijnde dienst (het door de Gemeente afzien van haar recht op overdracht van de gronden in de voorzieningenclusters [A] en [B] aan belanghebbende) heeft afgenomen in haar hoedanigheid van belastingplichtige. Nu uit de stukken van het geding volgt dat belanghebbende het voornemen had met de gronden belaste leveringen te verrichten, is dat in mijn visie – gelet op het arrest
Rompelman(zie in onderdeel 6.8 hierna) – een juist uitgangspunt. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat belanghebbende in aanmerking komt voor aftrek van de voorbelasting over de schadevergoeding die zij heeft betaald aan de Gemeente. De omvang van die aftrek van voorbelasting hangt af van het
gebruikvan de afgenomen dienst.
Midland Bank [35] oordeelt het HvJ dat de formulering ‘gebruikt voor’ in de zin van artikel 168, aanhef en onder a, van de Btw-richtlijn erop wijst dat voor het recht op aftrek van voorbelasting in beginsel een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang dient te bestaan tussen de in een eerder stadium verworven goederen en/of diensten en een of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat (de ‘hoofdregel’). Hieruit volgt volgens het HvJ dat het recht op aftrek van voorbelasting vooronderstelt dat de kosten die voor het verwerven van die goederen of diensten zijn gemaakt, bestanddelen zijn van de prijs van de belaste handelingen. Het HvJ overweegt als volgt:
INZO [37] was een aantal uitrustingsgoederen gekocht en was een onderzoek verricht naar de rentabiliteit van een project betreffende de bouw van een waterontziltingsinstallatie. INZO had de btw op die kosten in aftrek gebracht. Omdat bij het onderzoek talrijke rentabiliteitsproblemen aan het licht waren gekomen, werd uiteindelijk afgezien van het project en werd INZO ‘in vereffening gesteld’. Met de beoogde economische activiteit is dus nooit een aanvang gemaakt. In geschil was of de reeds in aftrek gebrachte btw moest worden terugbetaald aan de Belgische belastingadministratie. Het HvJ verwijst naar zijn eerdere arrest
Rompelman [38] waarin hij oordeelde dat voorbereidende handelingen dan wel de eerste investeringsuitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming reeds moeten worden gerekend tot de economische activiteiten. Een andere uitlegging zou neerkomen op een willekeurig onderscheid tussen investeringsuitgaven vóór en tijdens de daadwerkelijke exploitatie en zou derhalve in strijd zijn met het beginsel van neutraliteit van de btw. Vervolgens oordeelt het HvJ dat een eenmaal ontstaan recht op aftrek van voorbelasting in stand blijft, ook indien de beoogde activiteit niet tot belaste handelingen heeft geleid. Het beginsel van rechtszekerheid staat eraan in de weg dat het recht op aftrek van voorbelasting afhangt van feiten en omstandigheden die zich na de vaststelling van het recht op aftrek van voorbelasting voordoen. Ook is het in strijd met het beginsel van neutraliteit van de btw dat willekeurige verschillen zouden ontstaan tussen ondernemingen die door middel van investeringen proberen een aanvang te maken met activiteiten die belastbare handelingen zullen opleveren, voor zover de definitieve aanvaarding van de aftrek zou afhangen van de vraag of deze investeringen al dan niet tot belaste handelingen leiden. Alleen in geval van fraude of misbruik, waarbij de aftrek op basis van valse verklaringen is verleend, kan met terugwerkende kracht terugbetaling van de afgetrokken voorbelasting worden gevorderd.
INZOvolgt
Ghent Coal Terminal [39] . Ghent Coal Terminal had grond gekocht in de Gentse havenzone waarop zij investeringswerken uitvoerde en heeft de btw in aftrek gebracht. Op initiatief van de stad Gent ruilde Ghent Coal Terminal deze grond voor andere grond in de Gentse havenzone. Als gevolg daarvan heeft Ghent Coal Terminal de eerder aangekochte grond, waarop zij de investeringswerken had uitgevoerd en ter zake waarvan de aftrek was toegepast, nooit gebruikt. Het recht op aftrek was reeds verworven daar dit recht onmiddellijk moet kunnen worden uitgeoefend. Naar het oordeel van het HvJ mag een belastingplichtige die als zodanig handelt (in casu Ghent Coal Terminal) de btw aftrekken die verschuldigd of betaald is voor goederen of diensten die hem zijn geleverd respectievelijk verstrekt voor investeringswerken welke
bestemd zijn te worden gebruiktin het kader van belaste handelingen. [40] Voorts oordeelt het HvJ dat die aftrek verworven blijft wanneer de belastingplichtige de goederen of diensten die tot aftrek hebben geleid, wegens omstandigheden buiten zijn wil
niet heeft kunnen gebruikenin het kader van belastbare handelingen.
Schloßstraße [41] herhaalt het HvJ dat, los van gevallen van fraude of misbruik, het recht op aftrek, als het eenmaal is ontstaan, verworven blijft (behoudens eventuele herzieningen), ook wanneer een belastingplichtige de goederen of diensten die tot die aftrek hebben geleid, wegens omstandigheden buiten zijn wil niet voor belastbare handelingen heeft kunnen gebruiken. Naar het oordeel van het HvJ bestaat dan immers geen enkel gevaar van fraude of misbruik dat een latere terugbetaling kan rechtvaardigen. Een wetswijziging die tot stand kwam tussen het tijdstip dat met het oog op het verrichten van bepaalde economische handelingen goederen zijn geleverd of diensten zijn verricht en het tijdstip dat met deze handelingen is aangevangen, en die de belastingplichtige met terugwerkende kracht het recht ontneemt om af te zien van btw-vrijstelling voor deze handelingen, is aldus het HvJ een omstandigheid buiten de wil van de belastingplichtige. [42]
Breitsohl [43] bevestigt het HvJ dat wanneer geen sprake is van fraude of misbruik het beginsel van de neutraliteit van de btw verlangt (behoudens eventuele herzieningen) dat het recht op aftrek, zodra het eenmaal is ontstaan, behouden blijft. Dit geldt ook wanneer het de belastingadministratie reeds bij de oplegging van de eerste aanslag bekend was dat de voorgenomen economische activiteit, die tot belastbare handelingen diende te leiden, niet zal worden uitgeoefend. [44] Het recht op aftrek van btw ontstaat immers blijkens artikel 167 van Pro de Btw-richtlijn (voorheen artikel 17, lid 1, van de Zesde richtlijn) reeds op het tijdstip dat de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. Op grond van artikel 63 van Pro de Btw-richtlijn (voorheen artikel 10, lid 2, van de Zesde richtlijn) is dit het tijdstip dat de goederenleveringen of de diensten worden verricht aan de belastingplichtige. Het recht op aftrek is in dit geval dus al ontstaan vóórdat met de beoogde economische activiteit een aanvang is gemaakt. Op dat moment bestond het voornemen nog om belaste handelingen te gaan verrichten en kon de voorbelasting volledig in aftrek worden gebracht.
Midland Bank. In die zaak ligt de vraag voor of een belastingplichtige die zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek bestaat, als handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, de voorbelasting op goederen of diensten ook volledig kan aftrekken wanneer die goederen of diensten niet zijn gebruikt voor het verrichten van een handeling waarvoor recht op aftrek bestaat, maar in het kader van activiteiten die slechts het gevolg zijn van die handeling. In dit geval werden juridische kosten gemaakt die voortvloeiden uit in een eerder stadium verrichte financiële handelingen waarvoor recht op aftrek van btw bestond. Midland Bank behoorde tot een groep van ondernemingen die voor de btw als een geheel werd beschouwd en waartoe ook Samuel Montagu & Co. Ltd behoorde. Deze laatstgenoemde vennootschap verrichtte financiële diensten voor de vennootschap Quadrex Holdings Inc., gevestigd in de Verenigde Staten. Door een mislukte overname raakte Samuel Montagu & Co. Ltd betrokken bij juridische procedures en moest een advocatenkantoor worden ingeschakeld. De btw op deze kosten is in aftrek gebracht, omdat de afgenomen juridische diensten volgens Midland Bank verband hielden met de financiële diensten van Samuel Montagu & Co. Ltd aan Quadrex Holdings Inc. [46]
Die kosten moeten dus een onderdeel zijn van de prijs van de in een later stadium verrichte handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van die goederen en diensten. Om die reden moeten die elementen van de kostprijs normalerwijze zijn ontstaan vóór de belastingplichtige de belaste handelingen verricht, waarop zij betrekking hebben.
Daaruit volgt, dat, anders dan Midland betoogt, er normaliter geen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang in de zin van het reeds aangehaalde arrest BLP Group bestaat tussen een handeling in een later stadium en diensten die een belastingplichtige heeft gebruikt wegens en na het verrichten van die handeling.De kosten die voor het verwerven van die diensten zijn gemaakt, zijn weliswaar wegens de handeling in een later stadium gemaakt, maar vormen normalerwijze niet een van de bestanddelen van de kostprijs van de in een later stadium verrichte handeling, zoals door artikel 2 van Pro de Eerste richtlijn wordt vereist. Er is dus geen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen die diensten en de handeling in een later stadium.
De kosten van die diensten maken daarentegen deel uit van de algemene kosten van de belastingplichtige en zijn als zodanig bestanddelen van de prijs van de producten van een onderneming. Er is derhalve een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen dergelijke diensten en de bedrijfsactiviteit van de belastingplichtige, zodat het recht op aftrek van de BTW daarover wordt geregeld door artikel 17, lid 5, van de Zesde richtlijn, en de BTW volgens die bepaling slechts ten dele kan worden afgetrokken.
vóórdatde belastingplichtige de belaste handelingen verricht, waarop zij betrekking hebben. De vereiste samenhang ontbreekt blijkens dit arrest als kosten worden gemaakt
nadatde belaste handeling is verricht waarop die kosten betrekking hebben.
AB SKF [47] overweegt het HvJ, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak:
Midland Bankmerkt de redactie op dat het onderscheid tussen voorbelasting ‘vooraf’ en voorbelasting ‘achteraf’ niet erg principieel lijkt en dat niet valt in te zien waarom geen rechtstreekse en onmiddellijke samenhang kan bestaan tussen een bijzondere handeling in een later stadium en een of meer in een eerder stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. Bij de vraag of sprake is van een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang gaat het naar de mening van de redactie meer om een feitelijk dan om een strikt juridisch vraagstuk, waarvan het HvJ bovendien zelf heeft opgemerkt dat het aan de nationale rechterlijke instanties staat het criterium van de rechtstreekse en onmiddellijke samenhang toe te passen op de feiten en omstandigheden van een concrete voorliggende casus. Volgens Van Kesteren zou menigeen zonder dit arrest vermoedelijk hebben aangenomen dat wel een rechtstreekse samenhang bestaat tussen de gemaakte juridische kosten en de financiële dienstverlening van Samuel Montagu & Co. Ltd aan Quadrex Holdings Inc. [49] Hij vraagt zich dan ook af of het HvJ niet een erg rigide uitleg heeft gegeven aan het begrip 'rechtstreekse samenhang'. Van Hilten merkt op dat het oordeel van het HvJ kan betekenen dat een ondernemer recht op aftrek heeft van de voorbelasting op nagekomen kosten, terwijl de prestatie waarop deze kosten betrekking hebben destijds was vrijgesteld. [50] Het omgekeerde kan zich uiteraard ook voordoen. Louter vanuit een juridische invalshoek bekeken, lijkt deze redenering haar niet juist, maar bedrijfseconomisch en praktisch bezien voelt zij wel wat voor de benadering van het HvJ omdat die benadering bewijsproblemen (zijn de nakomende kosten nu écht alleen toerekenbaar aan de vroegere prestatie?) voorkomt.
Midland Bankwijst het HvJ het arrest
Fini H [51] .In de zaak die tot dat arrest heeft geleid gaat het om een persoon die een commerciële activiteit heeft gestaakt, maar die voor de voor deze activiteit gebruikte ruimte huur en bijkomende kosten blijft betalen, omdat de huurovereenkomst een beding bevat dat regelt dat de huur niet voortijdig kan worden opgezegd. Het Hof oordeelt dat die persoon wordt beschouwd als belastingplichtige en, afgezien van fraude of misbruik, recht heeft op aftrek van btw, voor zover een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat tussen de verrichte betalingen en de commerciële activiteit. De samenhang is in dit geval gelegen in het feit dat de verplichting om de huur en overige kosten te blijven betalen na stopzetting van de belaste activiteit, rechtstreeks voortvloeit uit de uitoefening van die activiteit en tijdens de hele duur van de huur een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de gehuurde ruimten en de economische activiteit bestond. Het oordeel van het HvJ luidt als volgt:
Midland Bankoordeelt het HvJ in
Fini Hdus dat wel sprake is van een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de verworven diensten en een handeling waarvoor aftrekrecht bestaat in een eerder stadium (de restaurantactiviteit). Daardoor komt Fini H, mits geen sprake van fraude of misbruik, een volledig recht op aftrek van de voorbelasting op de huurkosten toe. Swinkels merkt in zijn noot bij laatstgenoemd arrest op dat het HvJ in punt 30 een belangrijke nuancering lijkt aan de brengen op zijn oordeel in
Midland Bank: [52]
Fini Hziet op het einde van de belastingplicht, terwijl daarvan in
Midland Bankgeen sprake is.
Fini H. Waar de samenhang in
Fini Hzoals gezegd was gelegen in het feit dat de verplichting om de huur en bijkomende kosten te blijven betalen, na stopzetting van de belaste activiteit, rechtstreeks voortvloeit uit de uitoefening van die activiteit en tijdens de hele duur van de huur een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de gehuurde ruimten en de economische activiteit bestond, vloeit de verplichting om de onderhavige schadevergoeding te betalen voort uit een verplichting die belanghebbende is aangegaan op het moment dat nog slechts een voornemen bestond btw-belaste activiteiten te verrichten.
Fini H. De twee zaken hebben namelijk veel gemeen. In de eerste plaats noem ik de staking van de economische activiteit. Belanghebbende heeft haar economische activiteit met betrekking tot de voorzieningenclusters [A] en [B] stopgezet. Weliswaar was die activiteit nog een voorgenomen activiteit (en is het nooit verder gekomen dan een voornemen), maar een dergelijke activiteit wordt reeds gerekend tot de economische activiteit, aldus het HvJ in
Rompelman. Een verschil met
Fini H(een ‘voorgenomen activiteit’ versus een ‘daadwerkelijke activiteit’) is er wat dat betreft dus niet, althans dat verschil is in mijn visie niet onderscheidend. Een tweede overeenkomst met de feiten van
Fini His dat de verplichting de prestatie (bouwgronden) af te nemen en te betalen rechtstreeks en onmiddellijk voortvloeit uit de economische activiteit (het voornemen tot belaste levering van nieuwbouwwoningen). Belanghebbende is Overeenkomst I en later Overeenkomst II immers aangegaan om de (voorgenomen) economische activiteit te kunnen uitoefenen. Zij had de bouwgronden nodig om de nieuwbouwwoningen te kunnen bouwen en vervolgens belast met omzetbelasting te kunnen leveren. Indien de Gemeente belanghebbende had gehouden aan nakoming van Overeenkomst II (daartoe had de Gemeente het volste recht; zie onderdeel 2.6), had belanghebbende de bouwgronden moeten afnemen van de Gemeente, was haar ter zake van die leveringen omzetbelasting in rekening gebracht en had zij die belasting gelet op
Fini Hin mijn optiek volledig in aftrek kunnen brengen. (Ik zie niet in dat de omstandigheid dat het in de onderhavige zaak gaat om een eenmalige prestatie (levering van bouwgronden), terwijl
Fini Hziet op een duurovereenkomst (huur), verschil maakt). Anders dan in
Fini H, waar de overeengekomen huur werd voortgezet omdat deze niet voortijdig kon worden opgezegd, heeft de Gemeente belanghebbende echter niet gehouden aan tenuitvoerlegging van de overeengekomen prestatie (de levering van bouwgronden), maar heeft zij bewilligd in beëindiging van de overeenkomst tegen betaling van een schadevergoeding. De samenhang tussen de verworven prestatie en de gestaakte economische activiteit is in de onderhavige zaak dus iets minder rechtstreeks dan in
Fini H. In de onderhavige zaak loopt de samenhang tussen de te betalen schadevergoeding en de economische activiteit van belanghebbende immers ‘via de band van’ Overeenkomst II.
Fini Hkunnen wat mij betreft dus voldoende argumenten worden ontleend om te kunnen concluderen dat ook in de onderhavige situatie de in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek kan worden gebracht. Ook hier moet ik echter toegeven dat de onderhavige situatie weliswaar dicht aanschuurt tegen
Fini H, maar dat het HvJ zich naar mijn weten nog niet heeft uitgelaten over de vraag of voor een situatie als de onderhavige, met afkoop van een verplichting, ook een uitzondering mogelijk is op de hoofdregel dat verworven handelingen ‘worden gebruikt voor zijn belaste handelingen’ als bedoeld in artikel 168, aanhef en onder a, Btw-richtlijn, indien een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat tussen de in een eerder stadium verworven goederen en/of diensten en een of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. Gelet op het geconstateerde verschil met
FiniH durf ik niet te beweren dat de onderhavige schadevergoeding buiten redelijke twijfel rechtstreeks en onmiddellijk voortvloeit uit de economische activiteit van belanghebbende.