Conclusie
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
hij op 08 november 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, rijdend in een auto, (terwijl hij, verdachte, snelheid vermeerderde) is afgereden op [verbalisant 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 08 november 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, rijdend in een auto, terwijl hij, verdachte, snelheid vermeerderde, is ingereden op [verbalisant 1] en vervolgens met de auto waarin verdachte reed [verbalisant 1] heeft geraakt ten gevolge waarvan [verbalisant 1] ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2015 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik stond met mijn auto tussen de agenten in, in het midden van de Librije steeg te Rotterdam. Ik heb de auto in zijn achteruit gezet. Ik ben in een bocht naar achteren gegaan en op de hoek gestopt. De agent stond precies voor mij toen ik naar voren reed. Ik ben met slippende banden weggereden.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2016 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Op 8 november 2012 heb ik in de auto gereden. U heeft mijn verklaringen gelezen. Het is gegaan zoals het daar staat. Ik ben panisch voor mensen met een wapen en de politie en ik wilde niet stoppen. Ik wilde ontkomen aan een aanhouding. Ik ben niet gestopt. Ik ben gevlucht of weggereden voor de politie. Dat klopt. Ik ben om de agent heen gereden. Ik wilde wegkomen. Bij Vapiano ben ik de Librijesteeg achteruit uitgereden en daarna heb ik de auto stil gezet en daarna ben ik weggereden. Er is ook op de voorkant van de auto geschoten. Ik ben weggedoken en in één keer doorgereden. Ik kwam op de Meent.
Op 8 november 2012 was ik bestuurder van de Skoda Fabia met het kenteken [AA-00-BB] . Toen ik bij het metrostation Oostplein was zag ik een politiecontrole. Ik ben toen voorbij gereden. Ik ben voor een stoplicht dat rood stond gestopt en zag toen in mijn binnenspiegel dat er twee motoren van de politie achter mij stonden. Ik begreep dat ik mee moest rijden. Ik begon te flippen. Ik wilde niet gecontroleerd worden. Ik ben weggereden met mijn auto. Ik zag dat er een motorrijder achter mij aan reed. Ik ben een steeg ingereden. Dat was bij restaurant Vapiano. Ik zag een motorrijder van de politie voor mij staan. Ik zag dat hij zijn motor zijwaarts in de steeg had staan. Ik kon niet verder. Als ik verder had moeten rijden moest ik hem aanrijden. Ik zag in mijn binnenspiegel dat er een motoragent mij van achteren naderde. Ik zag het zwaailicht van die motor. Ik heb toen mijn auto in zijn achteruit gezet en ben naar achteren gereden. Ik ben met mijn auto naar achteren gereden en ben op de Binnenrotte gestopt. Ik zag dat de motoragent naar mij toe kwam lopen. Ik zag dat hij zijn pistool in zijn handen hield. Ik reed toen nog achteruit. Ik ben toen naar voren gereden. Ik zag dat hij op de voorkant van mijn auto schoot. Ik zag dat die agent op de achterzijde van mijn auto heeft geschoten. Ik ben niet gestopt en ben verder gereden in de richting van de Meent.
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17D0 2012532669-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 23 t/m 25):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 1] :
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 2] :
Op vrijdag 9 november 2012 heb ik de beelden bekeken, welke waren opgenomen door een camera van het appartementencomplex "de Hofdame" aan de Binnenrotte te Rotterdam. Ik zag het volgende met de daarbij behorende tijden op de digitale klok op de beelden:
-19:56:23:000: Ik zag dat het vierwielige voertuig achteruit reed in de Librijesteeg, in de richting van de Binnenrotte;
-19:56:25:000: Ik zag dat het politievoertuig tot stilstand kwam op de Binnenrotte ter hoogte van de Librijesteeg;
-19:56:25:130: Ik zag dat het achteruit rijdende vierwielige voertuig de Binnenrotte op reed in de richting van de Hoogstraat en passeerde hierbij het stilstaande politievoertuig aan de rechterzijde;
-19:56:30:370: Ik zag dat het tweewielig politievoertuig naar links naar het wegdek ging en op het wegdek terecht kwam.
Tijdens het onderzoek aan de Skoda op de plaats van aantreffen een veegspoor op de rechter voorzijde van de motorkap en de voorspatscherm. Uit de vorm trokken wij de conclusie dat dit veegspoor is veroorzaakt door een hand.
Tevens troffen wij op het rechter voorspatscherm van de Skoda gele sporen aan welke visueel overeenkwamen met de kleur van de kleding van de bestuurder van de BMW.
Ik zag dat de auto heel hard achteruit reed. Ik zag ook een agent op de motor.De auto reed naar voren om de Binnenrotte op te rijden. Ik heb gezien dat de agent door de auto werd aangereden en dat hij tegen zijn been werd geraakt. Ik zag dat de auto de agent raakte met de rechtervoorzijde. Ik zag dat de agent op de grond terecht gekomen was en dat hij pijn had.
Ik zag toen dat er een donker gekleurde personenauto in z'n achteruit de Librijesteeg uit kwam rijden. Ik zag dat de auto met de achterkant naar mij toe draaide en dus met de neus van de auto in de richting van de Meent kwam te staan. Ik kon toen ook zien dat de motoragent voor de auto ging staan. Ik zag toen dat de auto weer vooruit ging rijden. Ik zag dat de auto op de agent af reed. Ik hoorde dat de motor van de auto een hoog toerental maakte. Hieruit maak ik op dat de auto hard weg wilde rijden. Ik kon wel heel duidelijk zien dat de agent in het schijnsel van het licht van de auto stond. Ik zag toen dat de auto de agent raakte. Ik zag dat de auto met de rechter voorzijde de rechterzijde van de agent raakte.”
Vaststaande feitenOp 8 november 2012 heeft zich een hectisch incident voorgedaan dat zich na een heftige achtervolging in luttele seconden heeft afgespeeld en waarbij het de verdachte als enige doel voor ogen stond om weg te komen van de politieagenten.
ConclusieHet hof is - gelet op het vorenstaande- van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal poging tot zware mishandeling. Deze feiten staan in zodanig verband met elkaar dat het hof de beide feiten zal beschouwen als een voortgezette handeling.
Het hof verwerpt aldus de verweren van de raadsman.”
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel
21. Indien u niettemin tot een bewezenverklaring zou komen meent de verdediging dat cliënt een geslaagd beroep toekomt op noodweer c.q. noodweerexces.
wederrechtelijkwas.
Alsuw hof al zou oordelen dat hier sprake is van een (dreiging) van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan is de verdediging, bestaand uit het tot tweemaal toe meerdere malen gericht schieten op (de auto van) cliënt
disproportioneel.Mogelijk zou [verbalisant 1] een beroep op putatief noodweer of noodweerexces toekomen maar zulks maakt zijn handelen
nietrechtmatig en maakt bovendien
nietdat cliënt geen geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) zou toekomen. Noodweer tegen noodweerexces is immers mogelijk.
wederrechtelijkaanranding van clients lijf en goed.
‘Ik was erg bang. Ik was echt aan het flippen. ’(verklaring cliënt 9 november, blad 2).
‘Na de dood van mijn goede vriend Fernandes ben ik zo verschrikkelijk bang voor alles en iedereen geworden dat ik nauwelijks buiten durf te komen. Ik ben bang dat de mensen die mijn vriend hebben vermoord mij ook zullen vermoorden.’
wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en goed. De verdachte heeft zich tegen deze aanranding verdedigd door weg te duiken achter het stuur en weg te rijden zonder zich te bekommeren om de zich (mogelijk) voor zijn auto bevindende [verbalisant 1] en heeft in zoverre een aanrijding op de koop toegenomen. De raadsman heeft betoogd dat dit handelen van de verdachte de proportionaliteit- en subsidiariteitstoets doorstaat.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Hij heeft er hierbij nog op gewezen dat het zich onttrekken aan een staandehouding niet een zodanige culpa in causa oplevert dat een beroep op noodweer(exces) om die reden niet kan slagen.
Het hof overweegt daartoe dat de verdachte al achteruit is gaan rijden in de Librijesteeg nog voordat de agent is begonnen met schieten op de auto. Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte in de Librijesteeg in een vloeiende beweging met de auto naar achteren is gereden en, in een bocht, de Librijesteeg is uitgereden. Op de Binnenrotte is de verdachte alleen blijven staan om te kunnen schakelen. Onmiddellijk daarna is de verdachte op de Binnenrotte rechtdoor vooruit gereden. Dit rijgedrag van de verdachte duidt erop dat hem als zijn doel voor ogen stond koste wat kost weg te komen van de agent om aldus een aanhouding dan wel staandehouding te voorkomen, zoals dat bij de eerdere achtervolging ook al het geval was. Voor de verdachte is in zoverre van een situatie van een noodzakelijke verdediging als bedoeld in artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht naar oordeel van het hof dan ook geen sprake geweest.
(...)
5. De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.
(…)
1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een ambtsinstructie voor de politie en voor de Koninklijke marechaussee vastgesteld.
(…)
3. In de ambtsinstructie worden regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 6 en 7.
(…)
1. Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
4. Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.
1. De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht met een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, zal schieten, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat geschoten zal worden, indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd. Deze waarschuwing, die zo nodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.
Geboden door de noodzakelijke verdediging3.5.1. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenaamde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv Pro optredend persoon - hier van belang zijn.
6.Het derde middel
- (…)
- een brief van de raadsman d.d. 20 oktober 2015, inhoudende een verzoek tot het laten verrichten van nader onderzoek naar de momenten waarop aangever op de auto heeft geschoten;
- een schrijven van de advocaat-generaal aan de raadsman van de verdachte d.d. 18 maart 2016 en 25 maart 2016, inhoudende het bericht dat het dienstwapen niet meer beschikbaar is, dat de auto zou zijn gesloopt en de Binnenrotte en de Librijesteeg ten opzichte van 2012 volledig opnieuw zijn ingericht. De motor is nog wel aanwezig;
(…)
De raadsman kondigt aan een verzoek te willen doen tot aanhouding van de zaak teneinde nader onderzoek te laten verrichten voordat met het feitenonderzoek wordt aangevangen, zulks in het kader van een beroep op noodweer.
(…)
De raadsman draagt zijn op schrift gestelde pleitnotities voor waarin hij, zeer kort samengevat, verzoekt om aanhouding van de zaak en nader onderzoek door het NFI naar de momenten waarop de aangever heeft geschoten op de auto waarin de verdachte reed.
(…)”