Conclusie
eerste middelkomt op tegen de bewezenverklaring van de onder 14 primair tenlastegelegde diefstal van een horloge, sieraden, een kluis met inhoud en een laptop uit een woning in Almere.
tweede middelbevat twee klachten over de strafmotivering van het hof. Alvorens deze klachten afzonderlijk te bespreken, geef ik hieronder eerst het voor de beoordeling van de klachten relevante gedeelte van het bestreden arrest weer.
eerste klacht van het tweede middelricht zich in het bijzonder tegen de laatste zin van de hiervoor geciteerde overweging uit het bestreden arrest. In dit verband is het volgende van belang. Op de terechtzitting van 9 juli 2015 [1] heeft de raadsvrouw van de verdachte verzocht om aanhouding van de behandeling van de als feit 19 tenlastegelegde overtreding van het inreisverbod zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 en de Europese Terugkeerrichtlijn, vanwege de omstandigheid dat de Hoge Raad in de zaak [A] (nr. 14/00826) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de EU en de uitkomst hiervan ook van belang zou kunnen zijn voor de berechting van dit feit. Op de zitting van 29 januari 2016 heeft de raadsvrouw ten aanzien van de overtreding van het inreisverbod primair vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging bepleit en subsidiair voorgesteld dat het hof met betrekking tot dit feit eveneens prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU zou stellen. [2]
tweede klacht van het tweede middelwordt gesteld dat het hof in zijn arrest ten onrechte heeft nagelaten te responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging met betrekking tot de strafoplegging. Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2016 heeft de raadsvrouw van de verdachte aan het hof verzocht om bij oplegging van een vrijheidsstraf een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen. [6] Daarbij heeft de raadsvrouw onder meer naar voren gebracht dat de verdachte gelet op zijn specifieke vreemdelingenstatus niet voor vervroegde invrijheidstelling in aanmerking kan komen en dat de verdachte lijdt aan een ernstige depressie.
derde middelbevat een klacht over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.