Conclusie
eerstemiddel klaagt over de afwijzing van het verzoek om verbalisant [verbalisant 1] , hulpofficier van justitie [verbalisant 2] en de zittingsofficier in de ‘lokfietszaak’ als getuigen te horen in het tussenarrest van 6 juli 2016. Tevens klaagt het middel over de afwijzing, in hetzelfde tussenarrest, van het verzoek om het ‘lokfietsdossier’ met enkele stukken aan te vullen en bij de processtukken te voegen. In ieder geval zouden deze afwijzende beslissingen niet (voldoende) begrijpelijk zijn gemotiveerd. Het middel klaagt er ten slotte ook over dat het (herhaalde) verzoek tot het bij de processtukken voegen van het ‘lokfietsdossier’ in het arrest van 8 februari 2017 is afgewezen, althans dat die afwijzing niet (voldoende) begrijpelijk zou zijn gemotiveerd.
Voeging van het lokfietsdossier (vraag 1)
Het horen van de zittingsofflcier van justitie in de lokfietszaak (vraag 19)
"Maar, zo houdt Paulissen zijn medewerkers geregeld voor: 'Als het niet kan zoals het moet; moet het maar zoals het kan'. Je moet creatief zijn binnen de grenzen van de wet, vindt hij"’.Ook de opsporingsactiviteit 'dynamische verkeerscontrole' was voor het OM tot voor kort een aanvaardbare wijze van opsporen. Niet geheel onbelangrijk is dat we hier te maken hebben met een (politiek)gevoelige zaak met voortdurende media-aandacht.
NJ2014/441 m.nt. Borgers heeft Uw Raad geoordeeld dat deze maatstaf ‘het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’ (rov. 2.5). De regeling veronderstelt ‘dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing’ (rov. 2.6). Aan deze overwegingen werd ‘met het oog op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat wordt verzocht om het horen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv’ nog toegevoegd dat bij zo een verweer van de verdediging wordt verlangd ‘dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, want alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. In lijn hiermee mag van de verdediging die met het oog op de onderbouwing van zo een verweer getuigen wenst te doen horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord. Daarbij kan worden aangetekend dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt, indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot een in art. 359a Sv genoemd rechtsgevolg, bijvoorbeeld omdat het gaat om een vormverzuim dat niet onherstelbaar is of dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit’ (rov. 2.7). [1]
NJ2015/87 m.nt. Keulen overwoog Uw Raad dat het hof in de bestreden uitspraak had vastgesteld dat de verdachte was staande gehouden in het kader van een op art. 50, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 gebaseerde MTV-controle, en vervolgde: ‘Het oordeel van het Hof dat deze controle, die in bestuursrechtelijk opzicht onrechtmatig moet worden geacht, niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek van het in deze zaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde misdrijf van art. 197a Sr en derhalve niet kan worden aangemerkt als een vormverzuim waaraan op grond van art. 359a, eerste lid onder b, Sv het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting kan worden verbonden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat ter terechtzitting in hoger beroep door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat de MTV-controle mede is geschied in het kader van het voorbereidend onderzoek naar genoemd tenlastegelegd en bewezenverklaard feit.’ Daaruit kan worden afgeleid dat Uw Raad, terecht, de mogelijkheid open houdt dat een onderzoeksactiviteit in twee kaders plaatsvindt. Dat kunnen ook twee strafrechtelijke opsporingsonderzoeken zijn.
NJ2017/84 m.nt. Keulen). Indien die benadering wordt doorgetrokken naar andere bevoegdheden, zou het plaatsen van een lokfiets met het oog op de opheldering van ernstige strafbare feiten als waarvan in deze strafzaak sprake is rechtmatig zijn zolang de toepassing van deze opsporingsmethode mede strekt ter opheldering van fietsendiefstal(len). De vraag of aan de inzet van deze opsporingsbevoegdheid processuele sancties verbonden dienen te worden, zou zelfs in de geschetste hypothetische situatie derhalve mogelijk niet eens in beeld komen.
tweedemiddel klaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ten onrechte heeft verworpen, althans dat de motivering van de beslissing dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging die in reactie op het verweer van de verdachte genomen is blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
derdemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Die klacht valt in verschillende -in het navolgende te bespreken- deelklachten uiteen.
Aangifte
Gedrag verdachte rond DNA-afname
Ten aanzien van feit 1
Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4
het benoemen van een onafhankelijk DNA-deskundige
Y-Chromosome Haplotype Reference Database(YHRD) die wordt beheerd door de
Humboldt Universityin Berlijn;
Het horen als getuige van verbalisanten en de NFI-rapporteur die bij het veiligstellen en verder, naar het hof verstaat, van de sporen met DNA betrokken zijn geweest.
old casesen
cold casessteeds rekening houdt met de mogelijkheid van contaminatie en dat de kans dat het profiel dat voorkomt in drie verschillende zaken die op verschillende momenten zijn binnenkomen en op verschillende momenten zijn onderzocht, het resultaat van contaminatie kan zijn, klein is.
lijkt(onderstreping hof) te zijn geweest omdat zulke natte kledingstukken om het DNA goed te houden juist niet in papieren zakken moeten worden bewaard maar in een zak met slootwater. Het hof merkt in de eerste plaats op dat de kledingstukken niet in een sloot zijn aangetroffen, zodat bewaren in (het desbetreffende) slootwater sowieso niet was aangewezen. Verder wijst het hof erop dat Kloosterman op de vraag of contaminatie zou kunnen ontstaan als het bewijs in een papieren zak wordt bewaard, antwoordt dat daarmee in zijn ogen de draak wordt gestoken met papieren zakken en dat die de beste manier zijn om (het hof begrijpt: sporen met) DNA te verpakken. Het slechtste wat je volgens hem met DNA-bemonsteringen kunt doen, is deze in een afgesloten plastic zak verpakken en naar het NFI brengen. Een papieren zak is volgens hem volgens voorschrift. Het materiaal kan daarin ventileren en het DNA blijft enkele tientallen jaren goed.
NJ2008/61. Het hof had voor de bewezenverklaring van feit 1 (diefstal met verbreking van een bromfiets) mede redengevend geacht de omstandigheid dat de verdachte ruim een maand eerder betrokken was bij een poging tot diefstal van een bromfiets waarbij eveneens sprake was van verbreking. Volgens de Hoge Raad was in de gedachtegang van het hof kennelijk sprake geweest van een werkwijze die bij beide feiten op essentiële punten overeenkwam. Dat oordeel was gelet op wat het hof had vastgesteld omtrent die verbrekingen niet zonder meer begrijpelijk. De Wilde (‘Schakelconstructies in bewijsmotiveringen’,
DD2009, p. 568) wijst erop dat verbrekingen op verschillende wijzen kunnen worden uitgevoerd en meent dat de rechter er in zijn motivering blijk van moet geven ‘dat de wijze van verbreking op essentiële punten overeenkomsten vertoont met het andere geval’. De vaststellingen van het hof in de onderhavige zaak zijn, zo zal duidelijk zijn, veel specifieker.
NJ2012/279 m.nt. Reijntjes. Daarin waren ten laste van de verdachte zes feiten bewezen verklaard. Vier feiten betroffen het dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen (art. 246 Sr Pro); twee feiten betroffen oplichting (art. 326 Sr Pro). Bij twee feiten (één keer het dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen en één keer oplichting) berustte het bewijs van daderschap mede op overeenkomsten in de modus operandi. De modus operandi was daarbij door het hof als volgt samengevat: ‘De verdachte spreekt een vrouw aan die door leeftijd en/of een (lichamelijke of geestelijke) beperking kwetsbaar is. In twee van de drie gevallen vertelt hij - in strijd met de waarheid - dat hij geld nodig heeft en vraagt hij of de vrouw in kwestie hem kan helpen. Vervolgens gaat hij samen met de vrouw haar woning binnen, waar hij de vrouw onverhoeds vastpakt en/of zoent en/of onzedelijk betast. In één geval is zelfs sprake van penetratie. Daarna verlaat hij de woning. In twee gevallen komt hij nog verscheidene keren terug.’ De Hoge Raad nam ook nog in aanmerking dat de door de aangeefster van de beide feiten waarbij gebruik was gemaakt van schakelbewijs over de verdachte gegeven informatie grotendeels gelijkluidend was aan hetgeen de verdachte aan een andere aangeefster had verklaard, dat het door de aangeefster opgegeven signalement van de verdachte op een aantal (essentiële) onderdelen overeenkwam met het signalement van de verdachte en dat de onderhavige feiten in de woonplaats van de verdachte waren begaan.
NJ2007/345 m.nt. Mevis). Het hof stelde daarin voorop dat wettig en overtuigend bewijs voorhanden was dat de verdachte de onder 1 en 5 primair bewezenverklaarde feiten begaan had (ov. 11.2), dat de verdachte met betrekking tot deze feiten kennelijk leugenachtige verklaringen had afgelegd (ov. 11.7). Het hof beredeneerde vervolgens dat en waarom het bewijs voor wat betreft acht andere feiten steeds mede kon steunen op de ten aanzien van de overige (in het bijzonder onder 1 en 5) bewezenverklaarde feiten gebezigde bewijsmiddelen. In HR 6 september 2016,
NJ2017/38 waren een overval op een Zeeman-filiaal en een overval op een Blokker-filiaal ten laste gelegd. De verdachte had de overval op het Blokker-filiaal bekend en ontkende de overval op het Zeeman-filiaal. De bewezenverklaring van de overval op het filiaal van de Zeeman was gebaseerd op de eigen waarneming van het hof, inhoudend dat het postuur en de gezichtsvorm van de overvaller niet afweken van postuur en gezichtsvorm van de verdachte, en overeenkomsten in de modus operandi van de overvallen op beide filialen. In de onderhavige strafzaak ligt het wat het bewijs betreft anders. De vaststelling van het daderschap van de verdachte vindt bij alle vier bewezenverklaarde feiten een basis in DNA-bewijs en ander bewijsmateriaal. Mij lijkt het, in het algemeen gesproken, denkbaar om dat te betrekken bij de eisen die aan de overeenkomst in modus operandi worden gesteld. Als het bewijs van daderschap in de kern op schakelbewijs berust, ligt het in de rede strenge eisen te stellen aan de specificiteit van de modus operandi. De constructie van schakelbewijs moet dan niet alleen redengevend zijn, zij moet ook de rechter overtuigen en verzekeren dat het daderschap van de verdachte buiten redelijke twijfel staat. In gevallen waarin het daderschap van de verdachte al (in belangrijke mate) uit andere bewijsmiddelen voortvloeit, is daar minder reden voor.
vierdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het (herhaalde) (voorwaardelijke) verzoek om een tegenonderzoek te laten plaatsvinden aan bij de bemonsteringen van ten aanzien van feit 1 veiliggestelde sporen aangetroffen celmateriaal aan de hand van de consensusmethode heeft afgewezen, althans de beslissing op dat verzoek onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
Deskundigenbewijs in het strafproces, WLP 2017, p. 151: ‘De verdediging kan er ook behoefte aan hebben om een nieuwe deskundige in te schakelen die het onderzoek van de eerste deskundige herhaalt. Als een nieuwe deskundige de opdracht krijgt het onderzoek van de eerste deskundige opnieuw uit te voeren, is er sprake van een tegenonderzoek (ook wel contra-expertise genoemd).’ Er zijn wel uitzonderingen, maar die bevestigen voor zover mij bekend deze regel. Art. 11 Besluit Pro alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer creëert een recht op een tegenonderzoek indien het ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte (kort gezegd) hoger is dan wettelijk toegestaan (lid 2). Dat tegenonderzoek geschiedt door middel van een bloedonderzoek (lid 3). Dat bloedonderzoek geeft echter een nauwkeuriger bepaling van het alcoholgehalte dan het ademonderzoek, geen uitkomst die -als het ademonderzoek deugde- minder (belastende) informatie belooft op te leveren. Het verzoek dat in deze zaak gedaan is, heeft een andere strekking. De verdediging wil niet dat het door het NFI uitgevoerde onderzoek wordt herhaald, zij wil aan de hand van het onderzoeksmateriaal dat bij het eerste deskundigenonderzoek gebruikt is een onderzoek laten uitvoeren met een andere methode, die minder belastende informatie belooft op te leveren.
NJ2005/514 m.nt. Mevis noemt van toepassing zijn op dit verzoek. De Hoge Raad geeft in dat arrest aan dat een verzoek om een tegenonderzoek in bepaalde omstandigheden moet worden gehonoreerd: ‘Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk verzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan’. Dat de rechter rekening moet houden met ‘de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat’ spreekt vanzelf als het gaat om een verzoek om een tegenonderzoek dat kan aantonen dat het eerste onderzoek onjuist is uitgevoerd, en dat de resultaten daarvan om die reden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Bij een onderzoek dat volgens een andere methode wordt uitgevoerd en niet kan aantonen – en er ook niet toe strekt, aan te tonen – dat het eerste onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd, ligt dat anders. Niet de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, maar de methode die bij dat onderzoek gebruikt is, wordt bestreden. Het alsnog uitvoeren van een onderzoek met behulp van een andere methode werpt geen licht op de vraag of de eerste methode niet eveneens bruikbare onderzoeksresultaten oplevert.
NJ2005/514 m.nt. Mevis is immers niet van toepassing op de beoordeling van dit verzoek. Het hof heeft de juiste maatstaf gehanteerd waar het stelt dat ‘niet de noodzakelijkheid (is) gebleken van een nader DNA-onderzoek met betrekking tot de hiervoor genoemde sporen met gebruikmaking van de consensusmethode’.
zichtbaar warendie verdachte uitsloten. En dat Kloosterman heeft aangegeven dat rekening moet worden gehouden met het drop out en drop in fenomeen, dat inhoudt dat je een kenmerk de ene keer wel en de andere keer niet zichtbaar maakt. Bij ‘het herhalen van het onderzoek’ zouden volgens de toelichting kenmerken zichtbaar kunnen zijn geworden die niet overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte en hem dus uitsluiten als dader. Deze klacht ziet er naar het mij voorkomt aan voorbij dat de verdediging in hoger beroep niet om een herhaling van het door het NFI uitgevoerde onderzoek heeft verzocht, maar om een ander onderzoek op basis van het consensusmodel. De raadsman heeft in hoger beroep deskundige Herbergs geciteerd, die heeft aangegeven wat van een onderzoek op basis van het consensusmodel te verwachten was: ‘Ik denk dat er bij een consensus weinig kenmerken overgebleven zouden zijn’ (pleitnotities, p. 18). Tegen die achtergrond heeft het hof in de mogelijkheid dat een onderzoek op basis van het consensusmodel extra informatie zou kunnen opleveren (die de verdachte zou kunnen uitsluiten), naar het mij voorkomt geen aanleiding hoeven te zien een dergelijk onderzoek te laten verrichten. Nog daargelaten dat het hof door de verdediging onvoldoende op die mogelijkheid is geattendeerd; de verdediging heeft het onderzoek op basis van het consensusmodel in hoger beroep vooral gepresenteerd met het oog op het geringere aantal kenmerken dat daarbij overblijft (t.a.p.).
vijfdemiddel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Ook deze klacht valt in verschillende deelklachten uiteen, die in het navolgende achtereenvolgens besproken zullen worden.
Aangifte
NJ2008/69). Maar voor zover al tegen deze regel gezondigd zou zijn is in ieder geval niet over het zondigen tegen deze regel geklaagd. Als al gesteld kan worden dat de verdediging met de stelling dat van een ontlastend daderspoor sprake is reeds een alternatief scenario heeft geschetst.
zesdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat de artt. 278, tweede lid, en/of 258, tweede lid, Sv voorzien in een wettelijke grondslag voor het afgeven van een bevel tot medebrenging voor het gedwongen bijwonen van de openbare terechtzitting waar de uitspraak wordt voorgelezen. In ieder geval zou het hof ten onrechte niet of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd hebben gerespondeerd op het in hoger beroep ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat vanwege het in strijd met de wet door de rechtbank afgegeven bevel tot medebrenging voor het bijwonen van de uitspraak, voor de daarmee verband houdende schending van diens rechten compensatie in de vorm van strafvermindering dient te worden geboden.
verdachte die zich terzake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorloopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten staat is of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven weg te willen blijven. "Volgens de verdediging kent het wettelijk systeem dan ook geen mogelijkheid een verdachte door middel van een bevel medebrenging te verplichten om aanwezig te zijn bij de zitting waarin uitspraak gedaan wordt. Ook de literatuur is van mening dat een bevel medebrenging niet kan worden gegeven bij een uitspraak (tekst en commentaar bij artikel 278 lid 2 Sv Pro), citaat:
"Hij kan het bevel en de last bovendien reeds voorafgaande aan de behandeling ter terechtzitting geven (art. 258 lid Pro 6). Het bevel en a fortiori de last mogen krachtens deze bepaling niet gegeven worden om de verdachte te 'dwingen' bij de uitspraak aanwezig te zijn (in dezelfde zin bijv. F. van Laanen, NJB 2005, p. 1461-1462; WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., art. 363 Sv Pro, aant. 5 en Van Hattum en De Jong, NJB 2006, p. 246-252)".
Stb. 33. Zij is in de bijbehorende memorie van toelichting als volgt toegelicht: ‘Nadat is vastgesteld dat de dagvaarding op een geldige wijze is uitgereikt, dient de rechtbank zich te beraden over de vraag of de aanwezigheid van de verdachte noodzakelijk is voor de behandeling van de zaak. In beginsel staat het immers ter beoordeling van de verdachte of hij zijn verdediging in persoon wil voeren. In het wetboek is voor de meerderjarige verdachte geen verschijningsplicht opgenomen. Niettemin kan de rechtbank die een zelfstandige verantwoordelijkheid voor de volledigheid van het onderzoek ter terechtzitting draagt, van oordeel zijn dat de beslissingen ex artikel 348 en Pro 350 niet kunnen worden genomen zonder dat zij zich een eigen indruk omtrent de persoon van de verdachte heeft gevormd. In een dergelijk geval kan de rechtbank bevelen dat de verdachte in persoon verschijnt; ten aanzien van de weigerachtige verdachte kan bovendien een bevel tot medebrenging worden gegeven. Deze regeling is nu vervat in artikel 272, eerste lid’ (
Kamerstukken II1995/96, 24 692, nr. 3, p. 19). Deze passage doet vermoeden dat de wetgever bij het geven van een bevel tot medebrenging tegen de verdachte (vooral) heeft gedacht aan een bevel dat ten doel heeft de rechtbank in staat te stellen zich voordat zij een oordeel velt een beeld te vormen van de persoon van de verdachte.
Het Nederlandsche strafproces, Haarlem 1925, deel II, p. 217). Tegen deze achtergrond is er naar mijn mening naar geldend recht geen basis voor een bevel tot medebrenging dat er toe strekt de verdachte te dwingen bij de uitspraak van het vonnis of arrest aanwezig te zijn. [11]
zevendemiddel klaagt over de overwegingen van het hof met betrekking tot de beantwoording van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en de vraag of en zo ja welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden. In het bijzonder zou het oordeel van het hof dat de behandeling in eerste aanleg anderhalf jaar heeft geduurd van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Daarbij wordt er op gewezen dat de verdachte reeds in 2002 is gehoord als verdachte in deze zaak.