ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1756
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- G. Oosterhof
- R.A.Th.M. Dekkers
- T.E. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte moord Alphen aan den Rijn wegens onvoldoende bewijs DNA-sporen
In de zomer van 2006 werd een jonge vrouw in Alphen aan den Rijn op uiterst gewelddadige wijze om het leven gebracht. Verdachte, een voormalig aangetrouwd familielid van het slachtoffer, werd in eerste aanleg vrijgesproken van moord. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in en eiste een gevangenisstraf van veertien jaar en zes maanden.
Het hof onderzocht uitgebreid het DNA-bewijsmateriaal, waaronder autosomaal en Y-chromosomaal DNA van diverse bemonsteringen van de badjas, nagels en haren van het slachtoffer. Hoewel er zwakke DNA-sporen van de verdachte werden gevonden, waren deze niet exclusief en konden zij ook afkomstig zijn van andere personen. Statistische berekeningen konden vanwege de complexiteit van de mengprofielen niet overtuigend worden uitgevoerd.
Het hof oordeelde dat de DNA-resultaten slechts als ondersteunend bewijs kunnen dienen en dat er geen ander overtuigend wettig bewijs was dat de verdachte met voldoende zekerheid als dader aan te wijzen. Gezien het vermoeden van onschuld en het nemo tenetur-beginsel sprak het hof de verdachte vrij van moord. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij het slachtoffer heeft gedood.