Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte in de vervolging heeft ontvangen, omdat de verdachte is vervolgd voor een strafbaar feit dat eerder reeds heeft geleid tot de oplegging van een bestuurlijke boete.
ne bis in idem-beginsel als bedoeld in art. 50 HV Pro, art. 4 van Pro het Zevende Protocol bij het EVRM, [1] art. 14, zevende lid, IVBPR en met het
una via-beginsel, zoals neergelegd in art. 243, tweede lid, Sv.
ne bis in idem-beginsel of het
una via-beginsel geen sprake is. De beide procedures en daaruit voortvloeiende sancties behelzen immers een ander aan de verdachte gemaakt verwijt: enerzijds het nalaten van de verdachte om te voldoen aan de verplichting het UWV op de hoogte te stellen van feiten en omstandigheden die de hoogte van de uitkering beïnvloeden, anderzijds het gedurende een bepaalde periode telen van hennep. De relevante gedragingen verschillen dan ook van elkaar, terwijl ook de strekkingen van art. 27a WW en art. 3 onder Pro B Opiumwet dusdanig van elkaar verschillen, dat geen sprake is van hetzelfde feit. [2]
ne bis in idem-beginsel, in de onderhavige zaak geen beantwoording behoeven.