Conclusie
1.Feiten
“kleine beschadigingen aan en in het gehuurde”.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“dat dit punt is hersteld, temeer nu in het proces-verbaal van oplevering van 31 maart 2008 is vastgelegd dat sprake is van kleine beschadigingen in en aan het gehuurde. Dat die beschadigingen niet nader zijn beschreven, komt voor rekening en risico van [eiseres] als verhuurder.”Met grief X heeft [eiseres] hetgeen in het rapport van 17 april 2013 omtrent de werkvloer is gesteld, tegenover de bedoelde waarneming geplaatst:
“(e)en verplichting tot (verder) herstel (…) dan ook niet (kan) worden aangenomen.”Met grief XIII heeft [eiseres] de juistheid van de bedoelde waarneming betwist:
“(t)en aanzien van het schilderwerk (…) door de kantonrechter bij bezichtiging geen gebreken (zijn) vastgesteld, zodat ook geen sprake kan zijn van herstelkosten.”Het hof heeft die grief uitdrukkelijk (mede) als een bestrijding van de waarneming van de kantonrechter opgevat en haar in zoverre, kennelijk onder verwijzing naar rov. 3.5.1, verworpen, omdat het gegeven dat het eindvonnis niet is gewezen door de rechter die ook de comparitie heeft geleid en bij de aansluitende plaatsopneming het gehuurde heeft bezichtigd,
“(…) niet mee(brengt) dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de waarnemingen zoals die door laatstgenoemde rechter in het proces-verbaal van de comparitie/plaatsopneming zijn vastgelegd.”Dat laatste is op zichzelf juist, maar staat niet eraan in de weg dat [eiseres] zich op onjuistheid van die waarnemingen beroept en ter zake tegenbewijs aanbiedt. Bij memorie van grieven heeft [eiseres] aangevoerd:
“op enkele plaatsen”rondom het gebouw, terwijl in het genoemde rapport wordt gesproken van een
“sterke”beschadiging op
“veel plaatsen”. Kennelijk was de kantonrechter die het eindvonnis heeft gewezen van oordeel dat de waarneming tijdens de plaatsopneming afweek van de bevindingen in het rapport van 17 april 2013 (in die zin dat volgens die waarneming tijdens de plaatsopneming niet van een
“sterke”beschadiging op
“veel plaatsen”maar - slechts - van beschadiging
“op enkele plaatsen”sprake was) en heeft hij, blijkens zijn begroting van de schade op 50% van de door BKD geschatte herstelkosten, aangenomen dat de tijdens de plaatsopneming waargenomen schade maar “half zo erg” was als beschreven in het BKD-rapport. Naar mijn mening moet grief XVIII, waarin bij de inhoud van het BKD-rapport wordt gepersisteerd, als betwisting van de waarneming bij de plaatsopneming worden opgevat en is het onderdeel, ook voor zover het tegen rov. 3.5.9 is gericht, terecht voorgesteld.
“het straatwerk (…) overeenkomstig de overige bestrating (zal) worden aangeheeld”. Het komt mij voor dat grief XIX niet zozeer is gericht tegen de relevante waarneming van de kantonrechter tijdens de plaatsopneming (
“De plaats van de put van de vroegere schaarlift is opgevuld met straatstenen.”), als wel tegen de daaraan in het eindvonnis verbonden gevolgtrekking dat het gebrek door het aanbrengen van straatwerk is hersteld. Het opvullen van de plaats van een put met straatstenen is immers niet hetzelfde als het aanhelen van straatwerk overeenkomstig de overige bestrating. Met bestrijding van (en tegenbewijs tegen) de waarneming van de kantonrechter tijdens de plaatsopneming heeft dit alles strikt genomen niet van doen, tenzij in die waarneming mede het oordeel zou moeten worden gelezen dat de bestrating ter plaatse naar behoren was aangeheeld. Waar dat laatste naar mijn mening niet het geval is, meen ik dat het onderdeel niet slaagt, voor zover het tegen rov. 3.5.10 is gericht.
onderdeel IIIkeert [eiseres] zich tegen rov. 3.5.7, waarin het hof de vordering van [eiseres] met betrekking tot het schilderwerk heeft afgewezen omdat zij normale slijtage en veroudering dient te aanvaarden en gesteld noch gebleken is dat van abnormale slijtage of veroudering sprake was. Zij klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat uitdrukkelijk is verwezen naar art. 10.1.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene bepalingen. Daarin is volgens haar opgenomen dat het gehuurde
“in de huidige staat”- de staat waarin het gehuurde zich bij aanvang van de huur bevond - diende te worden opgeleverd. [eiseres] meent dat zij om die reden geen normale slijtage en veroudering behoefde te aanvaarden.
behoudens normale slijtage en veroudering [28] . Op basis van deze laatste zinsnede heeft zowel de kantonrechter als het hof op goede grond geoordeeld dat normale slijtage en veroudering voor rekening van [eiseres] komt.
“er zijn veel rijsporen van vrachtauto’s te zien en door plaatsen en verslepen van containers”), terwijl daarin ook melding wordt gemaakt van opslag van steenkorrel op het straatwerk. Gelet daarop en op de omstandigheid dat door de kantonrechter in eerste aanleg onbestreden is overwogen dat er bij de oplevering van 31 oktober 2008 in mindere mate sprake was van verzakkingen [31] , is ’s hofs oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat Primus heeft bestreden dat zij met zwaar materieel heeft gereden [32] , rechtvaardigt allerminst de slotsom dat [eiseres] haar stellingen onvoldoende heeft toegelicht.
onderdeel Vklaagt [eiseres] dat het hof ten onrechte en zonder enige motivering aan haar bewijsaanbod is voorbijgegaan. Ook deze klacht moet slagen. In haar memorie van grieven heeft [eiseres] onder meer bewijs aangeboden van de stelling dat de schade zoals die in het rapport van BKD (van 17 april 2013) is geconstateerd, aanwezig was ten tijde van de oplevering van het gehuurde door Primus aan [eiseres], alsmede van de daarin genoemde schadeposten en de hoogte daarvan. Daarnaast heeft zij meer in het bijzonder bewijs aangeboden van haar stelling dat de werkplaatsvloer ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst vloeistofdicht was en dat deze vloeistofdichtheid er thans niet meer is [33] . Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft zij verzocht een deskundige te benoemen (art. 194 lid 1 Rv Pro) [34] . Het hof heeft bij de weergave van het geding in hoger beroep in het bestreden arrest in algemene bewoordingen melding gemaakt van dit bewijsaanbod. Uit ’s hofs beslissing blijkt vervolgens niet waarom het daaraan is voorbijgegaan, zodat het arrest in zoverre onvoldoende is gemotiveerd [35] . Vermoedelijk hangt het passeren van het bewijsaanbod samen met ’s hofs oordeel omtrent het rapport van 17 april 2013. Zoals hiervóór (onder 3.2) reeds is opgemerkt, lijkt het hof te hebben miskend dat de omstandigheid dat het genoemde rapport niet als inspectierapport kan worden aangemerkt en Primus niet kan binden, niet betekent dat aan de inhoud daarvan bij de beoordeling van de vordering van [eiseres] zonder meer kan worden voorbijgegaan
onderdeel VI, dat voortbouwt op de voorgaande onderdelen, wordt terecht voorgesteld. De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van de hiervoor besproken klachten raakt ook rov. 3.10 en het dictum in het principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep. Het principaal en incidenteel hoger beroep hangen onlosmakelijk samen. In het incidenteel hoger beroep is [eiseres] veroordeeld om aan Primus een bedrag van € 13.263,-, vermeerderd met wettelijke rente te betalen. Dit bedrag is het verschil tussen het via de bankgarantie aan [eiseres] betaalde bedrag en de herstelkosten die door Primus dienen te worden betaald. Een hernieuwde beoordeling van het principaal hoger beroep heeft mogelijk tot gevolg dat het bedrag van de door Primus te betalen herstelkosten wijzigt en daarmee dat ook het in het incidenteel hoger beroep toegewezen bedrag moet worden aangepast.