ECLI:NL:HR:2003:AF5548

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/054HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofbeslissing over alimentatie wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid

De vrouw verzocht bij de rechtbank echtscheiding en alimentatie vast te stellen. De rechtbank sprak echtscheiding uit en bepaalde alimentatiebedragen voor de vrouw en de kinderen. De man ging in hoger beroep tegen de alimentatievaststelling. Het hof vernietigde de beschikking en wees de alimentatieverzoeken van de vrouw af, waarbij het aannam dat de man arbeidsongeschikt was en zijn draagkracht moest worden berekend op basis van een uitkering van het GAK.

De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het de arbeidsongeschiktheid van de man als vaststaand aannam, aangezien in het proces-verbaal en stukken geen overtuigend bewijs of medische verklaringen waren overgelegd. De stellingen van de man over ziekte waren onvoldoende onderbouwd.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor een volledige herbeoordeling van het alimentatiegeschil, inclusief de vraag naar arbeidsongeschiktheid en draagkracht van de man.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering omtrent arbeidsongeschiktheid en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

3 oktober 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/054HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. C. Vidor,
t e g e n
[de man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
Advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instantie
Met een op 12 november 1999 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en - voor zover in cassatie van belang - de alimentatie voor de vrouw vast te stellen op ƒ 750,-- per maand en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de uit het huwelijk van partijen op 25 juli 1992 respectievelijk op 1 juni 1994 geboren kinderen [kind 1] en [kind 2] vast te stellen op ƒ 250,-- per maand per kind.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het echtscheidingsverzoek van de vrouw en de verzoeken voor het overige bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 augustus 2000 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de kinderalimentatie bepaald op ƒ 250,-- per maand en per kind en alimentatie voor de vrouw op ƒ 460,-- per maand.
Tegen deze beschikking heeft de man wat betreft de vaststelling van de kinderalimentatie en de alimentatie voor de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 14 februari 2001 heeft het hof de bestreden beschikking voorzover deze betreft de kinderalimentatie en de alimentatie voor de vrouw vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de alimentatieverzoeken van de vrouw alsnog afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, op 15 mei 2003 een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense heeft bij conclusie van 3 maart 2003 en nadere conclusie van 20 juni 2003, geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure tot het hoger beroep verwijst de Hoge Raad naar de rubriek 'Vaststaande feiten' van de beschikking van het hof.
3.2 Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd voorzover deze betreft de kinderalimentatie en de alimentatie voor de vrouw, en heeft in zoverre opnieuw beschikkende het inleidend verzoek van de vrouw tot het bepalen van kinderalimentatie en alimentatie voor haarzelf, ten laste van de man, alsnog afgewezen.
3.3.1 De Hoge Raad zal eerst middel 2 behandelen, dat opkomt tegen het oordeel van het hof dat de man arbeidsongeschikt is en dat zijn draagkracht derhalve moet worden berekend op basis van de van het GAK te verwachten uitkering. Het hof heeft te dien aanzien overwogen dat de man "thans ziek thuis zit en - ten tijde van de mondelinge behandeling - nog geen uitkering ontvangt", dat de man ten tijde van het einde van het dienstverband bij Randstad op 1 november 2000 reeds geruime tijd ziek was, en dat het hof het, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, aannemelijk acht geworden dat de man "thans in een dusdanige conditie verkeert dat het voor hem niet mogelijk is te solliciteren naar werk. Derhalve gaat het hof er van uit dat de man arbeidsongeschikt is en een uitkering van het GAK zal verkrijgen."
3.3.2 Aldus oordelend heeft het hof zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd. In het beroepschrift van de man, gedateerd 28 september 2000, wordt van ziekte nog in het geheel geen melding gemaakt. Nadat de vrouw een verweerschrift had ingediend, heeft op 17 januari 2001 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter voorbereiding daarvan heeft de advocaat van de man bij brief van 9 januari 2001 een aantal stukken aan het hof toegezonden, waaronder copie van een faxbericht van Randstad aan het GAK van 19 december 2000, waarin wordt verklaard dat het contract van de man met Randstad afliep per 1 november 2000 en dat bij de beëindiging van het contract de man nog steeds ziek was. In de begeleidende brief merkt de advocaat van de man op dat de man na 1 november 2000 geen gelden meer heeft ontvangen van het GAK. Blijkens het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal is toen allereerst de advocaat van de man aan het woord geweest. Deze heeft gesteld dat de man sinds 1 november 2000 werkloos is en nog geen uitkering ontvangt. Van ziekte maakt hij in dat verband geen melding. De man heeft vervolgens onder meer gesteld dat hij niet mag solliciteren van de huisarts. In het hierna volgende betoog van de advocaat van de man wordt slechts in zoverre over ziekte gesproken dat opgemerkt wordt: "Hij kan nu niets, wordt van het kastje naar de muur gestuurd tussen het GAK en Randstad." Na dit betoog merkt de voorzitter op: "een verklaring van een arts heeft u niet. Dan is nu het woord aan de vrouw." Later merkt de man nog op: "ik heb nog niets gehoord van het GAK." De advocaat van de vrouw stelt vervolgens nog: "Ik betwist zijn arbeidsongeschiktheid omdat ik daar geen artsverklaringen van zie." Aan het slot van het proces-verbaal is vermeld dat de man heeft opgemerkt: "ik wil voor mijn kinderen betalen!"
Het hof heeft vervolgens de in cassatie bestreden beschikking gegeven. Tegen de achtergrond van de zojuist vermelde gegevens uit de gedingstukken is niet duidelijk op grond waarvan het hof heeft aangenomen dat de man toen arbeidsongeschikt was. 's Hofs beroep op het verhandelde ter zitting vormt in het licht van het proces-verbaal zonder nadere, niet gegeven, motivering onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de arbeidsongeschiktheid als vaststaand kon worden aangenomen zonder nader bewijs door medische verklaringen of anderszins. Het middel, dat hierop gerichte klachten bevat, slaagt derhalve.
3.4 Nu middel 2 slaagt, behoeft middel 1 geen behandeling, mede in aanmerking genomen dat de rechter na verwijzing een alimentatiegeschil opnieuw in volle omvang heeft te beoordelen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 februari 2001;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 oktober 2003.