Conclusie
middelhoudt in dat de artikelen 552a en 552l Sv juncto artikel 6 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn geschonden, doordat de rechtbank ten onrechte louter op grond van een schrijven van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken van 20 mei 2016 heeft aangenomen dat
"op afdoende wijze is gebleken dat het inwilligen van het rechtshulpverzoek, niet zal leiden tot een discriminatoire vervolging ex. artikel 2 EVR Pro en 552l lid 1 Sv, noch van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro", zonder dat van zorgvuldig onderzoek door de Nederlandse Staat is gebleken.
tweede middelhoudt in dat de rechtbank ten onrechte stelt dat het rechtshulpverzoek commune delicten zou betreffen en geen fiscaal delict, zodat zich niet de weigeringsgrond ex art. 552m lid 3 Sv zou voordoen.