ECLI:NL:PHR:2016:948
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging advocaat bij verstek in hoger beroep strafzaak
In deze zaak stond centraal of een advocaat die aanwezig was bij de zitting van een niet verschenen verdachte in hoger beroep, zonder uitdrukkelijke machtiging, de verdediging mocht voeren. De verdachte was niet verschenen, maar zijn advocaat was wel aanwezig. De advocaat verklaarde aanvankelijk niet gemachtigd te zijn en voelde zich pas impliciet gemachtigd na contact met de broer van de verdachte, die echter niet met de verdachte zelf over de machtiging had gesproken.
Het hof verleende verstek tegen de verdachte omdat de advocaat niet uitdrukkelijk gemachtigd was in de zin van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het machtigingsvereiste strikt moet worden toegepast. Dit is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De Hoge Raad verwierp het middel dat stelde dat een advocaat op grond van zijn relatie met de verdachte ook zonder uitdrukkelijke machtiging mocht optreden. Het arrest onderstreept dat de verdachte zelf een bewuste keuze moet maken om zijn advocaat te machtigen, zodat de procedure als een procedure op tegenspraak kan worden beschouwd.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen en het verstekvonnis blijft in stand wegens ontbreken van uitdrukkelijke machtiging van de advocaat.