Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Spuitvlieger- en
Beerta-arresten van de Hoge Raad.
Beerta‑arrest volgt dan al dat toepassing van het Besluit op ontslagvergoedingen overeengekomen vóór de publicatie van het Besluit strandt op het rechtszekerheidsbeginsel. Dat de belanghebbende er mogelijk van uitging dat de volgens HR BNB 2004/344 aan de Duitse arbeid toerekenbare € [i] in Duitsland belast zou zijn en dat zulks vervolgens feitelijk niet het geval bleek, doet er niet aan af dat belanghebbendes verwachting gerechtvaardigd was dat dat bedrag in geen geval in Nederland belast was. Hij heeft door die verwachting dat bedrag niet tijdig in een stamrecht kunnen onderbrengen, zoals hij wél heeft gedaan met de rest van de vergoeding.
mismatchis geen moeilijkheid of twijfelpunt bij de uitleg of toepassing. Ook als dat anders zou zijn, wijkt het Besluit expliciet af van de Verdragsuitleg door de Nederlandse hoogste belastingrechter, die evenmin moeilijk is uit te leggen of toe te passen en evenmin tot toepassingstwijfel leidt. Met de feitenrechters meen ik dat het Besluit verder gaat dan slechts opheffen van ‘moeilijkheden en twijfelpunten’ die zich bij ‘de uitlegging of de toepassing’ van het Verdrag voordoen. Ik meen daarom dat het Besluit niet gebaseerd kan worden op art. 25 Verdrag Pro. Ik zie ook overigens geen adequate gedelegeerde bevoegdheid.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Bundesfinanzhofdergelijke betalingen als vergoeding voor het verlies van de inkomensbron kwalificeert en niet als loon uit dienstbetrekking, en daarom als restinkomen onder het Verdrag met Nederland, welk restinkomen is toegewezen aan de woonstaat (Nederland). Het volgens HR BNB 2004/344 en 345 aan Duitsland toerekenbare deel van de ontslagvergoeding ad € [i] is aldus noch in Nederland, noch in Duitsland belast. [3] Volgens de regel van HR BNB 2004/344 en 345 is immers slechts € [j] toe te rekenen aan de dienstbetrekking in Nederland. De belanghebbende heeft voor dit bedrag een stamrecht als bedoeld in art. 11(1)(g) Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) gekocht. Op deze € [j] is dan ook (nog) geen loonheffing ingehouden.
3.Het geding in cassatie
Bundesfinanzhofde ontslagvergoeding niet beschouwt als vergoeding voor verrichtte arbeid, maar als vergoeding voor verlies van een inkomstenbron, komt de heffingsbevoegdheid volgens dat Hof geheel toe aan Nederland. Volgens de Staatssecretaris biedt art. 25(2) Verdrag de Staten ook als zij verschillende uitleg geven aan de toedeling van heffingsrecht over ontslagvergoedingen, de mogelijkheid om een regeling te treffen om deze moeilijkheid/dit twijfelpunt op te heffen. Het gegeven dat Duitsland niet heft, acht de Staatssecretaris een ‘bijzondere omstandigheid’ als bedoeld in HR BNB 2004/344, die een andere verdeling van heffingsrecht rechtvaardigt dan volgens de praktische richtlijn uit dat arrest. Uit het Verdrag zelf volgt geen bepaalde toewijzing van ontslagvergoedingen, zodat het Besluit geen wijziging van de bevoegdheidsverdeling inhoudt, maar slechts een invulling daarvan. Wel bepaalt § 14 Slotprotocol dat schadeloosstellingen als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid worden beschouwd, zodat zij onder art. 10 Verdrag Pro vallen. De door de bevoegde autoriteiten gemaakte afspraken over de toewijzing van schadevergoedingen kunnen volgens de Staatssecretaris als latere gelijkluidende Verdragsuitleg of later gemeenschappelijk gebruik een rol spelen bij de uitleg van het Verdrag en zijn niet in strijd met de tekst van het Verdrag.
mismatchligt, in Nederland dateert van medio 2004 en in Duitsland uit 1988. Nederland was dus bekend met de Duitse rechtspraak. De extreem lange duur na HR BNB 2004/344 tot het Besluit werd genomen, kan de belanghebbende niet worden tegengeworpen en rechtvaardigt geen terugwerkende kracht. Het Besluit kan überhaupt niet worden toegepast om de redenen die de belanghebbende bij het Hof al heeft aangevoerd in zijn primaire standpunt in zijn beroepschrift voor het Hof ’s-Hertogenbosch: (i) schending van het rechtszekerheidsbeginsel; (ii) reeds voor het Besluit afgeronde onderhandelingen vallen niet onder (de tekst van) het Besluit; (iii) Duitsland past het Besluit niet toe en daarmee komt er geen rechtskracht toe, ook niet in Nederland; (iv) het is ongerijmd en inconsistent om twee verschillende toerekeningsmethoden op dezelfde ontslagvergoeding toe te passen: die van HR BNB 2004/344 voor België en het VK en die van het Besluit voor Duitsland; (v) schending van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM.
4.Regelgeving
Wet op de Loonbelasting 1964
2. voor zijn gedurende deze tijd uitgeoefende werkzaamheden vergoeding ontvangt van een werkgever, die zijn woonplaats niet in de andere Staat heeft en
Trb.1959, 85).
.
5.Jurisprudentie
Toerekening van ontslagvergoedingen aan werklanden
6.Literatuur
7.Beoordeling van het middel
Spuitvlieger- en
Beerta-arresten.
Beerta-arrest gegeven deze omstandigheden al meebrengt dat toepassing van het Besluit op belanghebbendes geval (op ontslagvergoedingen overeengekomen vóór de publicatie van het Besluit (of adequate aankondiging)) strandt op het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij kan in het midden blijven of het om ‘terugwerkende kracht’ gaat. De Nederlandse doctrine zal menen dat het niet om formele, maar wel om materieel terugwerkende kracht gaat, maar dat onderscheid lijkt mij – althans voor niet-formele regelgeving – niet zo relevant, nu het – ook het EHRM – gaat om de bescherming van gerechtvaardigde verwachtingen. Dat de belanghebbende er mogelijk vanuit ging dat de volgens HR BNB 2004/344 aan de Duitse arbeid toerekenbare € [i] in Duitsland belast zou zijn en dat zulks vervolgens feitelijk niet het geval bleek, doet er niet aan af dat belanghebbendes verwachting gerechtvaardigd was dat dat bedrag in geen geval in Nederland belast was. Door de – in elk geval materieel - terugwerkende kracht van het Besluit kon de belanghebbende in de onmogelijkheid komen te verkeren om voor het volledige door Nederland aan heffing onderworpen bedrag een stamrecht te kopen, waardoor hij geconfronteerd zou worden met een acute heffing die hij had kunnen vermijden als hij wél op toewijzing aan Nederland had moeten rekenen.
self executingbeginsel, zoals onder meer blijkt uit de noodzaak om de EU-Moeder/dochterrichtlijn te voorzien van expliciete
linking rulesom dubbele niet-belasting als gevolg van dispariteiten te voorkomen. [23] Een Verdrag of wet dat/die voorkoming van internationale dubbele belasting ten doel heeft, heeft mijns inziens niet automatisch – zonder daartoe strekkende tekstuele aanwijzingen – tevens ten doel dubbele niet-belasting te voorkomen of jurisdictietoewijzing algemeen afhankelijk te stellen van daadwerkelijke jurisdictie-uitoefening (tot een bepaald belastingdrukniveau?).
mutual agreementtussen Duitsland en België geen effect had omdat zij niet correct in Duits recht was omgezet. Het
Bundesfinanzhofis toen teruggevallen op zijn kennelijk vaste rechtspraak over verdragskwalificatie van ontslagvergoedingen, onder meer zijn uitspraak van 24 februari 1988 (I R 143/84), waarin hij oordeelde – kennelijk op basis van nationaal recht en het restartikel in het Verdrag met Zwitserland – dat ontslagvergoedingen niet in de werkstaat, maar in de woonstaat belast zijn. Ik leid daaruit af dat Duitsland kennelijk ontslagvergoedingen zoals de litigieuze niet onder § 14 van het Slotprotocol vindt vallen. De formulering “salarissen, bezoldigingen, lonen, tantièmes, gratificaties of andere uitkeringen, op geld waardeerbare voordelen en schadeloosstellingen van natuurlijke personen, die in een dienstbetrekking werkzaam zijn”, met name de term “schadeloosstellingen” hoeft grammaticaal inderdaad niet te zien op – in 1959 niet bestaande – vertrekpremies en gouden handdrukken, maar beperkt kan worden opgevat als ziende op rechtstreeks met bepaalde arbeid of gemaakte kosten samenhangende vergoedingen of op vergoeding voor bij de uitoefening van de dienstbetrekking geleden schade.
lawfulis in de zin van de EHRM-rechtspraak over het eigendomsgrondrecht en reeds daardoor onverenigbaar is met art. 1 Eerste Pro Protocol voor zover het ten nadele van de belastingplichtige afwijkt van het Verdrag zoals door u uitgelegd. Zou het Besluit wél voldoende rechtsbasis hebben, dan is voor de periode van niet-aangekondigde materieel terugwerkende kracht een
legitimate aimnodig, dat vermoedelijk wel gevonden kan worden in gelijke behandeling met andere afkopelingen en voorkoming van dubbele niet-belasting (over
legitimate aimsdoet het EHRM niet erg moeilijk), zodat het op de
fair balanceaankomt tussen de gerechtvaardigde verwachtingen van de belanghebbende en de met voorkoming van dubbele niet-belasting gediende algemene belangen, die kennelijk liggen in voorkoming van
windfall benefitsdoor internationale heffings
mismatchesen in gelijke behandeling van belastingplichtigen.
Bundesfinanzhofanders was - maar laten we daar van uit gaan. Wordt het Besluit toegepast, dan wordt de belanghebbende in plaats van met de door hem veronderstelde Duitse heffing over € [i] geconfronteerd met (zie 2.3 hierboven) Nederlandse heffing over een deel ad € [l] van dat bedrag en dubbele niet-belasting over het restant ad € [k] . Anders dan het Hof, meen ik dat hierin geen
individual and excessive burdenkan worden gezien.
nietbelast zou kunnen worden, kan betwijfeld worden of het EHRM de
balancebij toepassing van het Besluit
unfairzou achten. Er blijft ook dan immers van de vergoeding een deel ad € [k] onbelast, terwijl de rest slechts enkelvoudig belast wordt met normale belastingdruk. De belanghebbende wordt alsdan slechts (het grootste deel van) een
windfall benefitals gevolg van een onbedoelde regelgevings
mismatchontnomen. Iets dergelijks heeft het EHRM niet in strijd met art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM geacht in de Britse belastingzaak
Building Societies, [24] over doorkruising met terugwerkende kracht van aanspraak op belastingteruggave ontstaan door onverwachte ongeldigverklaring, door het
House of Lords, van bepaalde
tax regulationsmet een onvermoed en onbedoeld technisch gebrek.
Beerta-arrest).