Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
HR BNB 2014/19) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). De Hoge Raad twijfelde of een vennootschap die door meer dan één belegger is opgericht met enkel het doel het bijeengebrachte vermogen te beleggen in onroerende zaken, kan worden aangemerkt als ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds’ en, voorts, of de door de vennootschap aan een derde uitbestede feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van de vennootschap onder het begrip ‘beheer’ valt. Bij arrest van 9 december 2015, C-595/13, na conclusie A-G Kokott, ECLI:EU:C:2015:801 [4] , beter bekend als het arrest
Fiscale eenheid X, heeft het HvJ de prejudiciële vragen van de Hoge Raad beantwoord. Volgens het HvJ komen de onderhavige vennootschappen alleen voor de vrijstelling voor het beheer van ‘gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ in aanmerking, indien naar nationaal recht is voorzien in ‘bijzonder overheidstoezicht’. De feitelijke exploitatie van onroerende zaken valt volgens het HvJ niet onder het begrip ‘beheer’.
2.De feiten
3.De loop van het geding tot aan het Hof
HR BNB 2014/19:
4.Het geding in cassatie
Abbey National II [15] , naar welk arrest het Hof verwijst, volgt dat daaronder taken vallen die specifiek zijn voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Voor de onderhavige diensten wordt niet aan dat criterium voldaan. Uit de punten 65 en 71 van
Abbey National IIleidt hij af dat het moet gaan om “bijzondere diensten die inzicht geven in het verband met het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen”. Hij acht het oordeel van het Hof onbegrijpelijk.
HR BNB 2014/19heeft de Hoge Raad het geding geschorst en het HvJ verzocht uitspraak te doen over de volgende twee prejudiciële vragen:
Fiscale eenheid Xheeft het HvJ geoordeeld dat onder het begrip ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds’ in elk geval instellingen voor collectieve belegging in effecten in de zin van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375, blz. 3; hierna: “icbe-richtlijn”) vallen. Voorts vallen onder voornoemd begrip fondsen die geen icbe’s zijn, maar dezelfde kenmerken vertonen en dus dezelfde handelingen verrichten of op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met icbe’s dat zij ermee concurreren. Dat brengt het HvJ tot het oordeel, gelijk de conclusie van A-G Kokott, dat de vrijstelling van artikel 13, B, onder d, punt 6, van de Zesde richtlijn ook kan worden toegepast op een ‘concurrerende niet-icbe’, indien die instelling op nationaal niveau aan bijzonder overheidstoezicht is onderworpen.
5.Het begrip ‘bijzonder overheidstoezicht’
Fiscale eenheid Xkomen ‘concurrerende niet-icbe’s’ enkel voor de vrijstelling voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen in aanmerking, indien zij naar nationaal recht aan ‘bijzonder overheidstoezicht’ zijn onderworpen. Het HvJ overweegt in verband hiermee onder meer als volgt:
Fiscale eenheid X(zie het citaat in punt 5.1 van deze conclusie) kunnen ook deze abi’s als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 6, van de Zesde richtlijn worden beschouwd, mits de lidstaten deze fondsen aan bijzonder overheidstoezicht onderwerpen.
Fiscale eenheid Xis vermeld dat de aifm-richtlijn ook op vastgoedvennootschappen van toepassing is, echter niet “op de feiten van het hoofdgeding”. Dat laatste houdt, in samenhang gelezen met punt 49 van het arrest, verband met het jaar waarin de onderhavige zaak speelt: 1996. De aifm-richtlijn gold toen immers nog niet. Gezien het belang van de richtlijn voor situaties die zich in het heden afspelen, wil ik toch kort bij deze richtlijn stilstaan. Hetgeen ik hierna in de punten 5.11 tot en met 5.14 opmerk, heeft dus in beginsel geen belang voor de onderhavige casus. Het HvJ overweegt in de genoemde punten:
vastgoedfondsen, kunnen de lidstaten toestaan dat een notaris, een advocaat, een administrateur of een andere entiteit wordt aangesteld om bewaardertaken te vervullen. (…)”
vehikels die als oogmerk hebben vastgoed aan te kopen, in bewaring te houden of te beheren. (…)”
Fiscale eenheid Xben ik geneigd deze vraag bevestigend te beantwoorden. Het HvJ overweegt immers dat deze richtlijn “ook op vastgoedfondsen van toepassing is”. Dit vloeit voorts voort uit de hiervoor geciteerde overwegingen 34 en 58 van de aifm-richtlijn. Dat is op zich opvallend, omdat deze richtlijn blijkens de titel en de inhoud daarvan slechts betrekking heeft op beheerders van abi’s. Ook Sanders houdt het voor mogelijk dat het indirecte toezicht toereikend is. Hij schrijft: [25]
Fiscale eenheid Xleid ik af dat het toezicht moet dienen ‘ter bescherming van de beleggers’. Aan de MvT bij de Wtb ontleen ik dat die wet precies die doelstelling heeft: “In het licht hiervan heeft de Wtb als algemene doelstelling een adequate werking van de financiële markten en de bescherming van de (potentiële) beleggers op die markten.” [33] Gelet op deze doelstelling moet mijns inziens in dit verband onder het begrip ‘overheidstoezicht’ worden verstaan: taken en bevoegdheden van de overheid ten opzichte van beleggingsinstellingen, uitgeoefend met het oog op de nakoming door die instellingen van de bij of krachtens de wet gestelde (controle)voorschriften waaraan zij zijn onderworpen. [34] De hiervoor in de punten 5.21 - 5.24 genoemde bepalingen in de Wtb brengen mijns inziens mee dat in cassatie ervan kan worden uitgegaan dat de vastgoedvennootschappen – indien vergunningplichtig – in het onderhavige jaar volgens het nationale recht onder overheidstoezicht stonden. Het lijkt mij dat de omstandigheid dat de toezichthoudende taken en bevoegdheden zijn gedelegeerd aan DNB, niet in de weg staan aan het aannemen van overheidstoezicht. Vervolgens moet nog wel de vraag worden beantwoord of het toezicht bijzonder genoeg is. Het toezicht op basis van de Wtb, waaraan beleggingsinstellingen met een vergunning zijn onderworpen, is naar mijn inschatting voldoende vergelijkbaar met het toezicht waarin de icbe-richtlijn en aifm-richtlijn voorzien. Ik concludeer dan ook dat het toezicht ingevolge de Wtb als ‘bijzonder overheidstoezicht’ kan worden aangemerkt.
pensioenfondsen,
verzekerings-maatschappijenen dergelijke verlenen. In tegenstelling tot de meeste individuele beleggers, ligt het voor de hand dat de tegenpartijen, handelend in beroep of bedrijf, van deze gespecialiseerde beleggingsinstellingen over voldoende deskundigheid en informatie beschikken om een redelijk oordeel over het aanbod van de beleggingsinstelling alsmede over de instelling zelf te kunnen vormen. Voor hen bestaat dan ook minder behoefte aan de beleggersbescherming die de Wtb biedt. Mocht echter op enig moment blijken dat zich regelmatig misstanden in deze professionele sfeer voordoen, dan biedt de mogelijkheid om de vrijstelling in te trekken een instrument om op korte termijn maatregelen te treffen. Dit is een versoepeling ten opzichte van de Wet effectenhandel die in de wet zelf een uitzondering schept voor de openstelling van fondsen voor personen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen in effecten.”
Artikel 1
6.Beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen
HR BNB 2014/19.
Fiscale eenheid Xis te lezen dat het HvJ aanneemt dat de feitelijke exploitatie van een onroerende zaak in het bijzonder de verhuur, het beheer van de bestaande huurcontracten alsmede het machtigen van andere derden en de controle op onderhoudsmaatregelen omvat. Dit zijn allemaal werkzaamheden die onder de in de overeenkomsten onder c) en in de bijbehorende bijlage I genoemde werkzaamheden vallen. Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat de Staatssecretaris geheel moet worden gevolgd in zijn betoog. Het HvJ gaat immers niet specifiek in op de in de overeenkomsten onder a), b) en d) genoemde werkzaamheden, betreffende de administratieve diensten van algemene aard en de directievoering. Dat had de Hoge Raad ook niet gevraagd. In algemene zin overweegt het HvJ wel dat administratieve en boekhoudkundige taken onder het begrip ‘beheer’ kunnen vallen indien zij specifiek zijn voor de activiteiten van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, maar het HvJ verbindt hier verder geen conclusie aan voor de onderhavige zaak omdat de prejudiciële vraag die is voorgelegd zich beperkt tot de feitelijke exploitatie van de onroerende zaken.
Abbey National IIvolgt dat het moet gaan om de taken van administratie van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen en dat daarin niet besloten ligt dat met betrekking tot administratieve diensten van algemene aard alsmede de directievoering hetzelfde heeft te gelden. Uit de overwegingen 65 en 71 blijkt naar zijn mening te meer dat het moet gaan om “bijzondere diensten die inzicht geven in het verband met het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen”. Administratieve diensten van algemene aard en het voeren van directie betreffen voor elke vennootschap algemeen geldende werkzaamheden. Hij acht zonder nadere motivering, die ontbreekt, de door het Hof getrokken conclusie in punt 4.13 dan ook onbegrijpelijk. In zijn reactie op het arrest van het HvJ blijft hij bij dit standpunt.
Abbey National II. Daaruit volgt voorts – zie onder meer ook punt 71 van
Fiscale eenheid X– dat diensten ‘beheer’ van een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van de vrijstelling zijn, indien deze diensten
kenmerkend en essentieelzijn voor het beheer van dat fonds. Daarvan is sprake als de diensten
specifiekzijn voor de activiteit van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. In
Abbey National IIheeft het HvJ dit als volgt verwoord:
Fiscale eenheid Xwaaruit de activiteit van een gemeenschappelijk beleggingsfonds waarvan de activa bestaan uit onroerende zaken bestaat. Gelet op deze overweging en de eerder gewezen rechtspraak [42] valt onder het begrip ‘beheer’ in ieder geval de volgende dienstverlening:
van het gemeenschappelijk beleggingsfonds zelf, in het bijzonder diensten zoals:
Fiscale eenheid X NV). Van Zadelhoff heeft daarover in zijn noot bij het arrest van
HR BNB 2014/19het volgende opgemerkt:
Fiscale eenheid X.
specifiekzijn voor
het gemeenschappelijk beleggingsfonds zelf. Uit de punten 77 en 78 van
Fiscale eenheid X, in samenhang gelezen, meen ik af te mogen leiden dat ook de onderhavige administratieve diensten in algemene zin en de directievoering als ‘beheer’ van een gemeenschappelijk beleggingsfonds kunnen worden aangemerkt. Dit zijn noodzakelijke werkzaamheden voor het kunnen functioneren als gemeenschappelijk beleggingsfonds. Dat de administratieve diensten van algemene aard en het voeren van directie voor elke vennootschap algemeen geldende werkzaamheden zijn, doet daaraan mijns inziens niet af.
Madgett en Baldwin [46] , CPP [47] en
My Travel [48] ) nog moeten beoordelen op welke wijze de vergoeding moet worden gesplitst en toegerekend. [49]